Linken naar deze pagina?
Kathalijne Buitenweg (34) leidde de campagne van GroenLinks voor de Europese verkiezingen en is nu GroenLinks delegatieleider in het Europees Parlement.
“Negenentwintig was ik, toen ik in het Europees Parlement kwam. Ze wilden me dus in de commissie vrouwen of jongeren zetten, maar ik koos voor begroting en voor publieke vrijheden. Met die twee raak je alle onderwerpen, kun je je dus overal mee bemoeien en je op alle terreinen ontwikkelen. Een positie waarbij ze niet om me heen kunnen.
Ik heb deze functie nooit nagestreefd. In het Europarlement zitten, dat wel, maar lijsttrekker en fractieleider worden niet. Ik had me aanvankelijk ook niet kandidaat gesteld, maar stond er wel voor open toen het congres van GroenLinks meer dan één kandidaat wilde. Ik won, met niet zo’n heel groot verschil trouwens. Waarom ze voor mij kozen? Ik denk omdat ik energiek, duidelijk en inspirerend ben.
Ik vind het eigenlijk wel grappig dat je mij gekozen hebt voor een interview over ‘topvrouwen’. Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik een topbaan heb. Ik heb wel veel verantwoordelijkheid natuurlijk. Ik leid de fractie, houd het team draaiend, motiveer mensen. Als ik iets fout doe, kan dat flinke gevolgen hebben. Het is een spannende baan, maar het voelt niet als ‘top’. Ik weet dat ik het kan.
Met een vast groepje vriendinnen praat ik af en toe over werk, en over de combinatie met het moederschap. Over barrières die je tegenkomt als je als vrouw hogerop wilt. Die barrières zijn er zeker. Maar voor een deel heb je je carrière natuurlijk zelf in de hand. Het is belangrijk te weten wat je wilt. Dat heb ik goed gedaan bij de keuze voor parlementaire commissies: ik zit in de commissies begroting en publieke vrijheden, beleidsterreinen die belangrijk en heel breed zijn, zodat je je in feite met veel meer kunt bemoeien. Ook thuis moet je sterk staan. Ik zie het vaak in mijn omgeving: er komt een kind, man en vrouw gaan beide vier dagen werken, maar op den duur lijkt het dan toch wel handiger als de vrouw drie dagen werkt en de man fulltime. Teleurstellend vind ik dat. Dat vrouwen er toch vaak voor kiezen een stapje terug te doen, heeft volgens mij te maken dat mannen en vrouwen steeds vaker wel de zorg delen, maar niet de verantwoordelijkheid. Het lijkt soms meer op delegeren wat de moeders doen. Ze leggen briefjes neer, nemen het over als per problemen zijn zoals een ziek kind. Dat geeft extra druk.
Daarnaast zijn er barrières in jezelf. Ik voelde ze ook toen mijn dochter Marit net geboren was, drieënhalf jaar geleden. Mijn vriend Maarten en ik hadden de taken goed verdeeld. Hij is fractievoorzitter van GroenLinks in de Amsterdamse gemeenteraad en had ook een functie bij het Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika, en die laatste functie heeft hij opgegeven. Ik werk fulltime en overnacht vrijwel elke week twee of drie keer in Brussel. Dat vond ik ingewikkeld, ik was bang dat Marit meer naar Maarten toe zou trekken en ik wist niet of ik het wel zou zien als het door mijn werk niet zo goed met haar zou gaan. Nu heb ik er geen moeite meer mee. Het gaat goed met Marit.
Ik heb denk ik wel een voorbeeldfunctie voor andere werkende moeders. Dat het kán, werken én moeder zijn. Maar ik ben hoop ik ook een voorbeeld voor Marit. Ze vraagt me wel eens waarom ik werk. Ik antwoord nooit alleen dat ik daar geld mee verdien. Ik zeg er nadrukkelijk bij dat ik werken vooral ook erg leuk vind.”
Het percentage vrouwen in het Europees Parlement schommelt nogal. In 2000 lag het op 36%, in 1998 op 29% en in 1996 op 31%. Het parlement dat er tot de laatste verkiezingen zat, bestond voor 28% uit vrouwen. De nieuwe cijfers zijn nog niet beschikbaar (eindredactie: ik hou het in de gaten en als het snel komt, mail ik het nog!!). Van de 27 Nederlanders die straks in het Europese Parlement komen, zijn er 12 vrouw. Kathalijne Buitenweg was één van de drie vrouwelijke lijsttrekkers.
Bron: Europees Parlement, en Emancipatiemonitor 2002, uitgave SCP.
Deanne den Hartog (34) is hoogleraar Bedrijfspsychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Ze twijfelde of ze wel moest reageren op de advertentie waarin een hoogleraar werd gezocht. Ze voldeed aan de eisen. Ze had gepubliceerd en onderzoekers begeleid, buitenland- en onderwijservaring én bestuurlijke ervaring. “Ik had niets te verliezen, dacht ik. Het leek me een goeie manier om te kijken waar ik stond in mijn carrière. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek, en dat vond ik al een hele prestatie.” Mooi staaltje van zelfonderschatting? “Misschien, maar ik denk eerder van realisme. Wie denkt nou dat ze op haar dertigste al in zo’n functie wordt benoemd?”
Deanne vond het geweldig als hoogleraar aan de slag te gaan. Tegelijkertijd relativeert ze haar positie: “Professor, hoogleraar, ben je niet voor altijd. Het is een functietitel, die je verliest als je een andere baan krijgt. Alleen het dr. voor mijn naam is echt van mij.” Het is ook wel mooi natuurlijk, dat die titel niet voor eeuwig is. Nu moet ze ‘vechten’ om hem te behouden. Publiceren, zichtbaar blijven.
Nou ja, vechten. Zo voelt het niet, en van een glazen plafond heeft ze persoonlijk nooit last gehad. Maar dat glazen plafond ís er wel in de wetenschap, dat weet ze zeker. Deanne: “Vijf procent van de hoogleraren is vrouw, terwijl hier op de faculteit Economische Wetenschappen al vijftig procent van de studenten vrouw is.” Eén van de belemmeringen bij het doorstromen is volgens Deanne de eis om voldoende te publiceren in wetenschappelijke bladen. “Zonder genoeg publicaties kun je geen lid worden van een zogenoemde onderzoeksschool, een samenwerkingsverband van universiteiten en andere organisaties op een bepaald wetenschappelijk gebied. Vrouwen werken vaker parttime, en omdat je ook onderwijs moet geven, kom je er haast niet aan toe voldoende publicaties te halen om lid te worden van zo’n onderzoeksschool. En zonder onderzoeksschool hoor je niet tot het ‘netwerk’ en wordt promoveren moeilijk. Misschien is dat op te lossen door het aantal vereiste publicaties mede te relateren aan het aantal uren dat je werkt.”
Dat ze dat glazen plafond niet ervaren heeft, komt vooral omdat ze net zoveel geïnvesteerd heeft als haar mannelijke collega’s. “Veel vrouwen werken parttime en dat belemmert ze in managementcarrière’s. Ik heb altijd fulltime gewerkt, ik draai extra uren als het nodig is en kan dat ook makkelijker doen omdat ik geen kinderen heb, maar wel een partner die me steunt en zijn aandeel in de huishouding gewoon op zich neemt. Het zou normaler moeten worden om ook op managementfuncties parttime te werken. Volgens mij kan dat best, als je maar zorgt dat je zichtbaar en aanspreekbaar bent.”
Tot haar spijt ziet ze voor parttime werkende vrouwen voorlopig niet veel veranderen. “De meeste mannen zien het belang van diversiteit ook wel in, maar het leidt niet vaak tot concrete actie. Echt ouderwetse mannen zijn er ook nog hoor. Die vinden dat er niet te veel vrouwen op hoge posities moeten komen, want dan wordt het zo’n ‘matriarchaat’, zeggen ze dan.” Ze merkt het zelf ook vaak genoeg, dat ze een uitzondering is. Dan belt er iemand voor professor Den Hartog, krijgen ze haar aan de lijn en vragen ze wanneer de professor aanwezig is. Veel post krijgt ze ook, voor de heer prof. dr. Den Hartog. “Ik zeg er niet altijd wat van. Daar heb ik niet altijd zin in.”
Vierendertig jaar en al een paar jaar hoogleraar: wat heeft ze nog te wensen, professioneel gezien? “Ik wil me vooral inhoudelijk ontwikkelen in plaats van me op een functie te richten. Voorlopig blijf ik wel in de wetenschap, er is nog genoeg onderzoek te doen. Ondertussen probeer ik ook te genieten van wat ik al heb bereikt. Dat vergat ik wel eens, maar mijn partner heeft me geleerd ook eens stil te staan en trots te zijn op mezelf.”
Het aantal vrouwelijke hoogleraren is in Nederland bedroevend laag: slechts 6% is vrouw. Van de universitair decenten is ruim 20% vrouw. We scoren qua hoogleraren het slechtst van Europa: Denemarken en Ierland doen het ook slecht (7%), Frankrijk en Estland al iets beter (15%) en Finland spant de kroon met 20%.
Bron: Emancipatiemonitor 2002, uitgave SCP, en Eurostat.
Scarlett Kwekkeboom (35) is directeur en eigenaar van Istimewa Elektro, een groot elektrotechnisch installatiebedrijf. In 2001 werd ze Zakenvrouw van het Jaar.
“Ik heb incasserings- en doorzettingvermogen, een gezonde dosis zelfvertrouwen en een groot vertrouwen in de organisatie die ik leid. Ik ben dominant, aanwezig en zit overal met mijn neus bovenop.
Dat heb ik de afgelopen jaren allemaal geleerd hoor, zo duidelijk had ik dat nog niet op een rijtje toen ik dit avontuur begon. Het bedrijf is opgericht door mijn vader, in 1971. In 1993 overleed hij plotseling. Ik heb het bedrijf toen voortgezet. Toen ik puber was en later, tijdens mijn studie, was het niet mijn doel de zaak ooit over te nemen. Het diende zich vanzelf aan. Sinds 1997 ben ik enig aandeelhouder en directeur.
Ik heb er nooit last van gehad dat ik vrouw ben in een wereld waarin op hoge functies nauwelijks vrouwen werken. Integendeel denk ik zelfs: de naam van een vrouw met een installatiebedrijf dat het goed doet, onthouden ze wel. Daarbij: ik ben vrouw, maar ik ben ook man. Ik kan net zo grof gebekt zijn als de mannen in mijn bedrijf en mijn branche, ik ben hard en zakelijk, maar heb de goede eigenschappen van vrouwen ook in me die in een bedrijf belangrijk zijn: ik kan me goed verplaatsen in anderen, ik communiceer gemakkelijk met iedereen, weet wat er echt speelt in het bedrijf.
Ik denk dat ik meer last heb gehad van mijn leeftijd. Ik was 25 jaar toen ik het bedrijf voortzette, 29 toen ik enige eigenaar werd. Ik heb door mijn daden respect moeten afdwingen. Dat lukte: het eerste jaar dat ik eigenaar/directeur was, was Istimewa nog verliesgevend, het jaar daarop boekten we een enorme winst. Iedereen kon zien dat ik goed met de centen omging, dat er weinig verloop was onder het personeel en de kwaliteit van het klantenbestand steeg.
Zakenvrouw van het Jaar worden, voelde goed vanwege de waardering en erkenning voor mijn werk. Ik ben voorgedragen door twee burgemeesters hier in Zeeland en door de Kamer van Koophandel. Leuk, dacht ik, hebben die bobo’s ook wat te doen. Maar toen ik ver bleek te komen, veranderde mijn houding. Er kwamen juryleden met me praten, het bedrijf werd doorgelicht. Het werd spannend, eng.
Ik geef toe, als ik tijdens lezingen of een forum voor vrouwennetwerken sommige vrouwen hoor klagen, denk ik wel eens ‘Ga toch gewoon aan de slag en maak er wat van!’. Aan de andere kant zíe ik dat het glazen plafond bestaat en is het goed dat er aandacht is voor vrouwen die er wel of niet doorheen breken. Goed opgeleide vrouwen kiezen er vaak voor een paar jaar meer aandacht te geven aan hun gezin en daarna blijkt het ontzettend moeilijk te zijn echt terug te komen. Zeker als je parttime wilt blijven werken. Dan beginnen ze voor zichzelf in een klein bedrijf, of ze belanden in de WAO. Dat is niet voor niks hoor, dat er zoveel jonge, hoger opgeleide vrouwen arbeidsongeschikt zijn. Die lopen ergens tegenaan.
Dat ik aan de top zit, dat is trouwens vooral hoe anderen me zien. Ik ben nog niet waar ik wil zijn. Istimewa moet doorgroeien en dan kan ik mijn droom verwezenlijken. Volledige onafhankelijkheid. Moet kunnen, over een jaar of tien. Daar richt ik me op.”
Het aantal vrouwen op hoge functies in het bedrijfsleven groeit, maar blijft laag: in 2002 zaten in de eerste managementlaag onder de Raad van Bestuur 12% vrouwen, in de laag daaronder 10% vrouwen en de laag daar weer onder 27%. Om over de Raden van Bestuur en Raden van Commissarissen maar helemaal niet te spreken: daar liggen de percentages vrouwen op nog geen 6%. De cijfers hebben betrekking op de 250 grootste bedrijven in Nederland.
Bron: Emancipatiemonitor 2002, uitgave SCP.
Januari 2005
©2005 Fréderike Geerdink
site-engine: Pêng Smart Web Design
- beheer