Linken naar deze pagina?
Zij is Nigeriaanse, hij Kameroenees. Zij is zwanger van hun tweede kind en wacht in Nederland op een beslissing over haar aanvraag. Hij is nog niet zo lang geleden vrij onverwacht het land uitgezet omdat zijn asielaanvraag definitief was afgewezen. Een gezin in wording, een liefde die al jaren duurt, maar in hun asielaanvragen behandeld als twee individuen. Het is nog maar de vraag of ze ooit weer als gezin bij elkaar komen. Het is wel een van de meest sprekende voorbeelden die Wilma Lozowski, beleidsmedewerker bij VluchtelingenWerk Nederland, op tafel legt in een gesprek over het gescheiden uitzetten van asielzoekers-gezinnen. “Wij vinden dat je stellen en gezinnen als eenheid moet behandelen”, zegt ze. “Dan voorkom je afschuwelijke situaties zoals deze.” Maar ook het beleid, of in ieder geval de uitvoering daarvan, zou van Lozowski wel wat duidelijker mogen.
In aantallen gemeten is de kwestie van gescheiden uitzettingen overigens niet zo’n groot probleem: het gaat bijvoorbeeld niet om honderden gevallen, maar om misschien tientallen, en dan zijn het nog voornamelijk mensen die misschien een gescheiden uitzetting boven het hoofd hangt en maar zelden om een geval als van bovenstaande Nigeriaanse en Kameroenees. Daarbij: het probleem laat zich niet gemakkelijk definiëren, voornamelijk omdat elke situatie zo specifiek is dat ze moeilijk vergelijkbaar is met een ander geval en dus ook zelden onder eenzelfde regeling of wetsartikel valt. Is het gezin in Nederland onstaan, of elders? In welke fase van de asielaanvraag zitten ze? Zijn er in Nederland geboren kinderen, of is een van de partners Nederlander?
“Het zijn vaak dramatische verhalen die met wat extra zorgvuldigheid en individuele aandacht makkelijk te verzachten zijn.”Het Nigeriaans-Kameroenese stel bijvoorbeeld, had elkaar in Nederland ontmoet, trouwde hier en op het moment van uitzetting was zíjn asielaanvraag definitief afgewezen en was zij nog in procedure. Zowel zij als hij komen uit een land waar mensen volgens de IND naartoe teruggestuurd kunnen worden. Een heel ander geval dan een gezin van gemengde nationaliteit dat als stel naar Nederland kwam, die allebei definitief uitgeprocedeerd zijn maar beide niet terugkunnen naar het land van herkomst. En dát is weer een heel ander geval dan een Nederlander die met een asielzoeker trouwt en waarbij onduidelijk is of zijn echtgenote terug moet naar het land van herkomst als de asielaanvraag wordt afgewezen of dat ze de ‘gezinsvorming’ in administratieve zin in Nederland mag afwachten. Maar hoewel de aantallen niet schokkend zijn en de problematiek heel individueel, vindt VluchtelingenWerk het toch van belang er aandacht voor te vragen. Wilma Lozowski: “Op het persoonlijke vlak zijn het vaak dramatische verhalen, die met wat extra zorgvuldigheid en individuele aandacht makkelijk te verzachten zijn.”
Daar komt bij dat minister Verdonk heeft gezegd dat ze gezinnen in principe niet gescheiden uitzet en VluchtelingenWerk Nederland haar daar graag aan houdt. Wilma Lozowski: “Ze is daar later allerlei kanttekeningen bij gaan maken, met als gevolg dat het beleid nu erg onoverzichtelijk is. Zo maakt ze onderscheid tussen gezinnen die al bij aankomst in Nederland bestonden en gezinnen die in Nederland zijn ontstaan. VluchtelingenWerk vindt dat een onnodig onderscheid.”
Lozowski wijst in dit verband op een recente toezegging van de minister: bij gezinnen die nog onder de oude vreemdelingenwet naar Nederland kwamen, zal uitzetting pas aan de orde zijn als álle gezinsleden zijn uitgeprocedeerd. Kunnen ze niet terug naar het gezamenlijke land van herkomst of naar een land van herkomst van één van de gezinsleden, dan krijgen ze een ‘buitenschuldvergunning’. Lozowski: “Waarom is zo’n humanitaire behandeling niet weggelegd voor gezinnen die in Nederland zijn ontstaan?”
Diana Richardson (29) komt uit Nigeria en heeft een zoontje van vijf jaar, Danny. Danny heeft de Nederlandse nationaliteit, maar Diana is uitgeprocedeerd.
“Ik slaap nu met Danny op een matras op de grond in een noodopvangvoorziening, maar eigenlijk is er geen opvang meer voor mij en leef ik op straat. Mét mijn Nederlandse zoontje. Hij gaat naar school, maar hij heeft het natuurlijk heel moeilijk. Hij zegt vaak dat hij zo moe is en hij huilt veel.
Eigenlijk kan ik maar zes maanden in de noodopvang blijven, dan moet ik weg. Die zes maanden zijn bijna voorbij. Waar moet ik daarna naartoe? En waar moet ik van leven? Ik moet mijn zoontje toch een goed leven kunnen geven? Een aantal jaren geleden had ik overigens wel een status, een zogenoemde C-status, maar die is met na drie jaar weer afgenomen. Het zou misschien een optie zijn om met Danny terug te gaan naar Nigeria, maar ik ben bij de ambassade geweest en ze willen me geen paspoort geven, dus ik kan het land niet eens uit. Dat weet de IND ook. Ik ben dus ook niet erg bang dat ze me gedwongen het land uit zullen zetten, maar op deze manier kan het natuurlijk ook niet verder. En bovendien: Danny is Nederlands, hij heeft een Nederlands paspoort, hij is hier geboren, hij heeft toch recht op een leven hier?”
De namen Diana en Danny zijn verzonnen
Toch lijkt het niet geheel onterecht je af te vragen of mensen die trouwen of kinderen krijgen terwijl (één van de twee) nog in de asielprocedure zit, niet te veel spelen met hun eigen lot. Is het niet je eigen verantwoordelijkheid dergelijke grote stappen te nemen als je in zo’n onzekere situatie zit? En als het helpt om getrouwd te zijn, is het dan niet logisch om te vrezen voor schijnhuwelijken om mee te profiteren van beleid waarbij gezinnen niet worden gescheiden? En geldt dat niet helemaal voor asielzoekers die met Nederlanders trouwen en dan een beroep doen op hun gezinsstatus? Beleidsmedewerker Lozowski: “Het gaat er ons helemaal niet om dat gezinnen of getrouwde stellen Nederland niet uitgezet zouden mogen worden als ze zijn uitgeprocedeerd. Getrouwd zijn is op zich natuurlijk geen reden om iemand zonder asielstatus een verblijfsvergunning te geven, dat snapt iedereen. Waar wij voor pleiten, is zorgvuldigheid.”
Sámen beslissen
Het Nigeriaans-Kameroenese stel is weer een goed voorbeeld. Volgens Lozowski is het niet bepaald zorgvuldig de helft van een echtpaar uit te zetten als de ander nog geen definitief oordeel over de verblijfsaanvraag binnen heeft: “Waarom krijgen die mensen niet tegelijkertijd uitsluitsel over hun asielaanvraag? Dan kunnen ze daarna sámen beslissen wat ze doen. Krijgt de een wel een status en de ander niet, dan kunnen ze overwegen samen naar het land van de uitgeprocedeerde te gaan, of een aanvraag voor gezinsvorming in te dienen om zo te proberen toch samen in Nederland te blijven. Dát zou ik zorgvuldig noemen.”
De angst voor schijnhuwelijken tussen asielzoekers en Nederlanders rechtvaardigt volgens Lozowski ook niet het besluit van de minister onderscheid te maken tussen bestaande gezinnen en gezinnen die in Nederland zijn ontstaan: “Er zijn wetten en regelingen om schijnhuwelijken tegen te gaan. Maar in de meeste gevallen gaat het om gezinnen die al jaren bestaan en die al jaren in Nederland zijn door het asielbeleid waarin mensen lang moesten wachten op een beslissing over hun aanvraag. VluchtelingenWerk pleit niet voor een automatische verblijfsvergunning: als de asielaanvraag wordt afgewezen, mag je verwachten dat mensen uit Nederland vertrekken. Maar er moet wel zorgvuldig worden gekeken of het reëel is dat de buitenlandse partner van een Nederlander de aanvraag voor toelating in het land van herkomst afwacht, zoals normaal is bij gezinsvorming. Ook kan de zorg voor kinderen het bezwaarlijk maken eerst terug te keren naar het land van herkomst.”
De minister, legt Lozoswki uit, laat de eis om eerst terug te keren naar het land van herkomst, wel vallen als het gaat om gezinnen die al bestonden voor de komst naar Nederland, maar niet bij gezinnen die hier zijn gevormd. “Dat is een onterecht onderscheid”, vindt Lozoswki. “Je moet per situatie bekijken welke eisen je in redelijkheid aan mensen kunt stellen.”
Aan de ene kant mag de overheid een uitgeprocedeerde gedwongen uitzetten, aan de andere kant heeft een Nederlands kind simpelweg het recht om in Nederland te wonen.En het bewuste risico dat mensen nemen om te trouwen en soms ook kinderen te krijgen terwijl ze nog geen zekerheid over hun verblijfsstatus hebben? Lozowski: “Dat is inderdaad de eigen verantwoordelijkheid van mensen, en op zich geen reden voor een verblijfsvergunning. Aan de andere kant: als mensen al jaren wachten op een definitieve beslissing, kun je dan van ze verwachten dat ze hun hele verdere leven ook op een laag pitje zetten, of is het dan logisch dat mensen besluiten dat hun leven op sommige fronten ook dóór moet gaan?” Ze geeft het voorbeeld van Diana Richardson (niet haar eigen naam, zie kader) een uitgeprocedeerde Nigeriaanse met een Nederlands kindje van vijf jaar. Aan de ene kant mag de overheid een uitgeprocedeerde gedwongen uitzetten, aan de andere kant heeft een Nederlands kind simpelweg het recht om in Nederland te wonen. Het CDA heeft inmiddels in de Eerste Kamer vragen gesteld over deze problematiek, maar een oplossing is er nog niet, en tot die tijd zitten Diana en haar zoontje in een gemeentelijke noodopvangvoorziening voor uitgeprocedeerden.
Meneer Abdelrachman is Sudanees en getrouwd met een Somalische. Ze trouwden in 1992 in Somalië en kwamen in 1998 – apart en met een tussenpoos van een paar maanden – naar Nederland. Ze hadden één dochter en kregen in Nederland nog twee kinderen. Moeder en kinderen kregen in september 2001 een verblijfsvergunning en zijn inmiddels allevier Nederlanders geworden. Vader Abdelrachman is uitgeprocedeerd.
Meneer Abdelrachman: “Binnenkort hebben we een gesprek bij de IND over onze situatie. We hopen dat dan onze aanvraag voor gezinshereniging wordt gehonoreerd. Die is in eerste instantie afgewezen omdat ik niet naar Sudan ben gegaan om een visum aan te vragen. Probleem bij deze tweede aanvraag is dat mijn vrouw niet aan de inkomenseis voor gezinshereniging voldoet: ze heeft een uitkering. Maar ze kan ook niet genoeg verdienen, want ze is al vier keer aan haar buik geopereerd en kan niet fulltime werken.
Ik kan wel fulltime werken. In Sudan was ik electrotechnicus en hier in Nederland heb ik met verschillende cursussen inmiddels drie diploma’s gehaald. Eentje voor schoenmaker, eentje voor electricien én Nederlands niveau één. Ik wil ontzettend graag werken en voor mijn gezin zorgen. Ik zit nu al zeven jaar niets te doen, ik ben vrijwel de hele dag thuis. Dat is vreselijk voor een man als ik, die gewend is actief te zijn. De kinderen worden nu ook groter, ze zijn 9, 7 en bijna 5. Ze vragen me steeds vaker waarom ik niet werk, zoals andere vaders. Ik heb daar geen antwoord op. Ik wil wel, maar ik mag niet. Hoe moet ik dat uitleggen? Moet ik zeggen dat er een kans is dat ik niet in Nederland kan blijven?”
Overigens: meerdere politieke partijen maken zich zorgen om gescheiden uitzettingen en een zorgvuldig beleid ten aanzien van gezinnen. D66, GroenLinks, ChristenUnie, SGP, CDA, allemaal legden ze de minister vragen voor over het onderwerp. Vaak waren die vragen gerelateerd aan een specifieke situatie, zoals mevrouw Huizinga van de ChristenUnie die zich speciaal inzette voor een gezin waarvan de ouders niet dezelfde nationaliteit hebben. Is het eigenlijk wel goed als de discussie zich zo toespitst op individuele gevallen? Zou het niet beter zijn het beleid op cruciale punten aan te passen, zodat zulke situaties niet meer voorkomen? Beleidsmedewerker Wilma Lozowski is er niet meteen voorstander van, een beleidswijziging. “De minister heeft toegezegd dat ze mensen een fatsoenlijk terugkeertraject wil aanbieden. Wat deze problematiek betreft, kan dat binnen het bestaande beleid. Het moet gewoon zorgvuldig uitgevoerd worden en de IND moet meer moeite doen stellen en gezinnen als eenheid te zien.”
In sommige gevallen, voegt ze toe, zal er afgeweken moeten worden van het beleid, simpelweg omdat situaties zo specifiek kunnen zijn dat het ondoenlijk is het beleid er precies op af te stemmen. Zodra je probeert die individuele gevallen breder te trekken en het beleid aan te passen, raak je verstrikt in de wet. Lozowski: “Dat zie je ook in Kamerdebatten waarin wordt geprobeerd individuele gevallen in een breder kader te plaatsen: het maakt het allemaal alleen maar nodeloos ingewikkeld. Terwijl het eigenlijk zo simpel is: geef gezinnen de kans en de tijd zelf een afgewogen keus te maken over hun toekomst. Als het niet mogelijk blijkt het gezinsleven ergens anders op de wereld voort te zetten, zal Nederland ruimhartig moeten zijn en verblijf moeten toestaan.”
Sara Ahmady komt uit Iran en is een geregistreerd partnerschap aangegaan met een Nederlander. Ze heeft een zoontje van 12 uit haar Iraanse huwelijk. Drie dagen voor het interview heeft ze te horen gekregen dat ze in Nederland mag blijven.
“Tien jaar geleden kwam ik met mijn zoontje naar Nederland. Mijn man was al een paar maanden eerder hier naartoe gevlucht. We kregen geen status: we raakten twee keer uitgeprocedeerd. Tijdens de tweede procedure zijn we gescheiden, onze zoon werd aan mij toegewezen. Een paar jaar later, nu zo’n drie jaar geleden, kreeg ik een relatie met een Nederlandse man.
Ik raakte uitgeprocedeerd en mijn ex-man ook. We zouden terug moeten naar Iran. Maar ik had inmiddels een leven opgebouwd met mijn Nederlandse vriend, we waren een gezin en dat wilden we natuurlijk niet verliezen. Het enige dat erop zat, was een aanvraag doen voor ‘gezinsvorming’, zodat ik een verblijfsvergunning zou krijgen als echtgenote van een Nederlandse man. Een jaar geleden ging die aanvraag de deur uit. Het probleem was dat je zo’n aanvraag moet doen in het land van herkomst, met andere woorden, ik en mijn zoontje zouden tijdelijk terug moeten naar Iran. Daar was ik ongelooflijk bang voor. Niet alleen om mijn politieke activiteiten voor mijn vlucht naar Nederland, maar ook omdat ik een brief van de Iraanse ambassade had waarin stond dat de scheiding in Iran niet werd erkend. Ze wisten dat ik nu met een Nederlandse man was, en omdat ik voor de Iraanse wet nog getrouwd ben met een Iraniër, pleeg ik dus overspel, en nog met een niet-moslim ook. Daar staat ‘dood door steniging’ op. En ik zou mijn zoontje zeker kwijtraken aan mijn ex-man of aan zijn familie.
Een jaar heeft het geduurd voor de IND bepaalde dat ik niet terug hoefde naar Iran om de aanvraag voor gezinsvorming te doen. Dat laatste jaar was één van de moeilijkste van de tien jaar dat ik nu in Nederland ben. Ik ben zó bang geweest. Mijn zoontje heb ik altijd verteld dat het wel goed zou komen, dat de verblijfsvergunning wel even op zich liet wachten maar dat het eigenlijk een formaliteit was. Hij vond het jammer dat het zo lang duurde. Hij wilde graag ook eens op vakantie. De grens over, naar familie van ons die in Duitsland woont. Gelukkig kan dat nu. Al geloof ik nog steeds niet helemaal dat alle ellende nu echt voorbij is. Daarom heb ik ook liever dat je mijn echte naam niet gebruikt, ik ben bang dat dat alsnog tegen me zou kunnen werken. Maak er maar Sara van, dat is Nederlands én Iraans.”
Maart 2005
©2005 Fréderike Geerdink
site-engine: Pęng Smart Web Design
- beheer