Artikelen Boeken Brochures Workshops Links Contact Nieuwsbrief Home
Onderwerpen in Multiculturele samenleving:

15 laatste andere Multiculturele samenleving artikelen:
Meer...
Zoeken:

Linken naar deze pagina?

Gepubliceerd in Contouren:

Maatschappelijke begeleiding: goed voor vluchteling én samenleving



Integratie beheerst al jaren het maatschappelijk debat. Van nieuwkomers wordt geëist dat ze zo snel mogelijk inburgeren, de taal leren en hun weg vinden in de Nederlandse samenleving. VluchtelingenWerk Nederland onderkent het belang hiervan al vanaf haar oprichting: al meer dan 25 jaar werkt zij met duizenden vrijwilligers aan een succesvolle integratie van vluchtelingen. De maatschappelijke begeleiding van VluchtelingenWerk is een begrip en helpt vluchtelingen op allerlei manieren bij het leren kennen van de nieuwe woonplaats en onze samenleving en bij het zo snel mogelijk zelfstandig kunnen functioneren van de vluchteling, bijvoorbeeld door het helpen zoeken naar werk. En met succes.

Wat basisscholen betreft, wist Faduma Osoble maar één ding zeker: het moest géén islamitische school zijn. Het gezin is weliswaar moslim, maar, zo vinden ze, naar school ga je om te leren en religie is voor thuis. Moeder Faduma schakelde VluchtelingenWerk in, en vrijwilliger Marianne Hanekroot bezocht samen met haar én de kinderen een paar scholen. De keus viel op de (katholieke) school in de buurt. De kinderen zitten er prima op hun plek, ze doen het goed en hebben snel vriendjes gevonden. Oók Abdikayr (13), die in het begin erg druk was in de klas, maar na een gesprek met zijn moeder, de juf en Marianne tot rust gekomen is. Muna, de oudste, gaat inmiddels naar de havo. Ook uitgezocht met hulp van Marianne. Ali Abdulle Osoble, de vader van het gezin: “De beslissingen die we samen met Marianne nemen, pakken altijd goed uit. Als zij zegt dat het in orde is, is het dat ook.”
Ali’s vrouw Faduma en hun dochters Muna (14) en Sagal (8) en zoons Abdikayr (13) en Abdirahman (2) zijn niet bij het interview. Ze zijn op vakantie bij familie in Zweden. Ali kon niet mee, hij heeft zijn werk en wil liever geen vrij nemen nu hij in de race is voor meer uren. Het verhaal over de schoolkeuze van een paar jaar geleden, kan hij niet uit eerste hand vertellen: hij en zijn gezin ontvluchtten Sudan niet tegelijkertijd – zij kwamen in Nederland terecht, hij in Noorwegen – en pas anderhalf jaar geleden voegde Ali zich officieel bij zijn gezin in Nederland. Faduma’s Nederlands schijnt uitstekend te zijn, dat van de kinderen ook, en Ali kan zich inmiddels ook aardig verstaanbaar maken. De maatschappelijke begeleiding van VluchtelingenWerk is steeds minder nodig. “Faduma kent de weg hier heel goed”, zegt Ali. “Alleen bij correspondentie met officiële instanties hebben we nog hulp nodig. Gelukkig hebben we nog geen problemen gehad.”

”Voor je het weet, overtreed je onbewust een regel en ben je bijvoorbeeld je uitkering kwijt.”Ali en Faduma hebben, zo zegt Ali, één Nederlandse basisregel snel opgepikt: “Hier zijn ook regels voor dingen waar je dat niet meteen bij denkt.” Dat besef heeft ze volgens Marianne Hanekroot uit de problemen gehouden. Marianne: “Ze zijn problemen vóór. Als er iets speelt met bijvoorbeeld de sociale dienst of als ze zelf ergens initiatief voor willen nemen, komen ze eerst hier om te vragen of er nog regels zijn waar ze zich aan moeten houden. Voor je het weet, overtreed je onbewust een regel en ben je bijvoorbeeld je uitkering kwijt.”
Die uitkering, die raakt het gezin over een tijdje overigens toch wel kwijt. Ali heeft nu nog een parttime baan, maar uitbreiding van uren ligt in het verschiet en zodra die extra uren er zijn, kan het gezin zich zonder aanvulling van de sociale dienst redden. Ali werkt als vorkheftruck-chauffeur bij Ikea – het diploma haalde hij in Noorwegen – en hoopt binnenkort bij hetzelfde bedrijf ook achter de servicebalie aan de slag te kunnen. Hij begon bij Ikea als stagiair: “Op een dag moest ik bij de baas komen. Hij vroeg of ik het naar mijn zin had, dat soort dingen. Ik snapte het eerst niet, ik dacht dat er iets mis was maar kon niet bedenken wat. Toen bleek dat hij me een contract wilde aanbieden omdat ik mijn werk zo goed deed!”

Maatschappelijke begeleiding in het kort
Bijna alle gemeenten in Nederland hebben de maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen in handen gegeven van lokale en regionale afdelingen van VluchtelingenWerk Nederland. Iedere vluchteling, ieder vluchtelinggezin, krijgt een vaste persoonlijk begeleider die tijdens het hele proces overzicht houdt over de integratie en die de lokale situatie goed kent. De begeleider helpt de vluchteling, kort gezegd, bij het leren kennen van de nieuwe woonplaats en de rechten en plichten in de Nederlandse samenleving. Dat gaat in veel gevallen op basis van begeleidingsplan dat vluchteling en begeleider samen vaststellen. Er is aandacht voor zaken als huisvesting, verzekering, inkomen, onderwijs en medische zorg, allemaal toegespitst op de persoonlijke situatie van de vluchteling. Het doel: de vluchteling zo snel mogelijk in staat stellen zijn eigen boontjes weer te doppen.


Het gezin Osoble heeft een plek gevonden in Nederland, mede dankzij de maatschappelijke begeleiding van VluchtelingenWerk in Breda, hun woonplaats. Behalve hulp in de bureaucratie en bij het vinden van een school, regelde de begeleiding van alles rond het vinden van een huis en kreeg het gezin hulp bij Ali’s komst van Noorwegen naar Nederland. Dankzij de maatschappelijke begeleiding heeft het gezin ook bijzondere bijstand gekregen om het overblijven op school te betalen, waardoor de kinderen extra Nederlandse les konden volgen. Maatschappelijke begeleiding is, kortom, in vele opzichten niet alleen van groot belang voor de vluchteling, maar ook voor de maatschappij.
En dat maakt het extra zuur dat de maatschappelijke begeleiding die VluchtelingenWerk biedt, verloren dreigt te gaan, zegt Roswitha Weiler. Ze werkt als senior beleidsmedewerker op het Amsterdamse hoofdkantoor van VluchtelingenWerk en legt uit dat de maatschappelijke begeleiding vooral onder druk staat door de nieuwe inburgeringswet die eraan zit te komen. Roswitha: “Tot nu toe kregen gemeentes budget om de inburgering voor nieuwkomers te financieren, maar in de nieuwe Wet Inburgering is dat budget geschrapt en zijn gemeentes ook niet meer verplicht er geld in te steken. Tenminste, in het ontwerp voor de nieuwe wet wordt er niets over gezegd. Gemeentes vinden begeleiding van nieuwkomers belangrijk, dat weten we, maar ze kunnen het niet betalen uit de reguliere middelen. Met als gevolg dat alle ervaring en kennis die het lokale VluchtelingenWerk op dit gebied heeft, verloren gaat.”

Handen en voeten

En dat in een tijd waarin de overheid hamert op het belang van goede inburgering. “In juni nog”, zegt Weiler, “was er de Dag van de Maatschappelijke Binding, uitgeroepen door de overheid. Daarin werden mensen opgeroepen zich in te zetten voor integratie, maar ondertussen wordt vergeten dat de mensen van VluchtelingenWerk die maatschappelijke begeleiding al jaren handen en voeten geven.” Onbegrijpelijk, vindt ze, zeker nu uit eigen onderzoek blijkt hoeveel waarde gemeentes hechten aan betaalde krachten en vrijwilligers die nieuwkomers wegwijs maken: uit het onderzoek, uitgevoerd door bureau Motivaction, blijkt dat ruim tachtig procent van de lokale bestuurders vindt dat VluchtelingenWerk een toegevoegde waarde heeft bij de inburgering van vluchtelingen, en dat bijna negentig procent de inzet van vrijwilligers beschouwt als essentieel onderdeel van de inbedding van vluchtelingen in de lokale gemeenschap en dat 93% maatschappelijke begeleiding van nieuwkomers van groot belang vindt. Roswitha Weiler: “Onze inschatting dat gemeenten zelf geen geld kunnen vrijmaken voor maatschappelijke begeleiding, wordt ook bevestigd: slechts 44 procent is bereid geld te reserveren voor een zo goed mogelijk inburgeringsprogramma.”

”Vluchtelingen hebben meestal geen sociaal netwerk als ze in Nederland aankomen.”De lokale bestuurders – voor het Motivaction-onderzoek werd gesproken met wethouders en bij het inburgeringsbeleid betrokken ambtenaren in 140 dorpen en steden met een afdeling van VluchtelingenWerk – waren zich vrijwel allemaal (bijna negentig procent) bewust van de bijzondere positie die vluchtelingen innemen binnen de groep nieuwkomers. Dat bijzondere zit ‘m bijvoorbeeld in de reden waarom ze naar Nederland kwamen: niet om te trouwen of om economische redenen, niet vrijwillig, maar gedwongen onder extreme omstandigheden als oorlog of persoonlijke vervolging. “Ze hebben meestal geen sociaal netwerk als ze hier komen”, zegt Roswitha Weiler, “en als ze in Nederland aankomen, mogen en kunnen ze niet meteen beginnen met integreren omdat ze eerst de uitkomst van de asielprocedure moeten afwachten. Dan, als de status er is, móeten ze integreren, en het eerste wat vaak gebeurt, is dat ze in een totaal nieuwe woonomgeving een huis krijgen. Als ze in de periode dat ze nog in het asielzoekerscentrum zaten, al contacten hadden opgebouwd, zijn ze die door de verhuizing vaak in één klap weer kwijt.”

Dat is precies het moment waarop de maatschappelijke begeleiding van VluchtelingenWerk begint: bij de aankomst in de nieuwe gemeente en bij het regelen van de állereerste zaken. Soms staat er zelfs een vrijwilliger op het station klaar om de vluchteling of het vluchtelinggezin op te vangen. Eerste behoeften, natuurlijk: onderdak, inboedel, uitkering. Dan een school voor de kinderen, en andere noodzakelijke contacten en routes, zoals bijvoorbeeld een huisarts en het wegwijs worden in de wijk. “Daarna kan het leven beginnen”, zegt Marianne Hanekroot, “en helpen we mensen op weg met inburgeren, met settelen in een gemeenschap.” In Breda, waar Marianne vrijwilliger is, wordt niet, zoals bij sommige afdelingen van VluchtelingenWerk, van te voren een traject uitgestippeld met een bepaalde tijdsduur. Marianne: “De eerste pakweg twee jaar kunnen vluchtelingen gewoon altijd op het kantoor binnenstappen of bellen met vragen, met zelfstandigheid als uiteindelijk doel.”

”De eisen die aan het beheersen van het Nederlands worden gesteld, zijn ongelooflijk hoog, ook voor werk waarin taal niet zó belangrijk is.”Die twee jaar is gebaseerd op het budget dat VluchtelingenWerk-groepen krijgen voor inburgeringstrajecten, zegt Jessica Winter, die vanuit het landelijk bureau van VluchtelingenWerk regionale groepen in Overijssel adviseert. “Niet elke afdeling gaat even ver in het geven van hulp. Er is een basispakket en dat krijgt iedereen, maar dat wordt natuurlijk individueel ingevuld. Sommige vrijwilligers volstaan bij bijvoorbeeld het inrichten van het huis met een routebeschrijving naar meubelboer en bouwmarkt, anderen helpen het financiële plaatje overzichtelijk te houden, weer anderen helpen verhuizen en schilderen.”
En bepaalde delen van de inburgering staan erom bekend dat ze vaak tot frustratie leiden, zoals het zoeken naar werk. Jessica Winter: “Als vluchteling ben je maar één kant van het integratieverhaal. De Nederlandse samenleving moet ook meewerken, en vooral op de arbeidsmarkt merk je dat dat moeilijk is. De eisen die aan het beheersen van het Nederlands worden gesteld, zijn ongelooflijk hoog, ook voor werk waarin taal niet zó belangrijk is. Daarbij zijn werkgevers er soms huiverig voor vluchtelingen aan te nemen omdat er zoveel verschillende verblijfsstatussen zijn dat ze niet altijd kunnen inschatten welke administratieve rompslomp ze zich op de hals halen.”

Glas op de vloer

Inburgeren is dus een samenspel tussen inburgeraar en samenleving, zoveel wordt ook wel duidelijk uit gesprekken met inburgeraars. Mooi voorbeeld is de manier waarop de Sudanese familie Osoble werd opgenomen in hun Bredase buurt: de buren nodigden ze uit voor het buurtfeest, de familie greep de kans om buurtgenoten te leren kennen met beide handen aan, en met succes.
Een minder fijn voorbeeld heeft Marzia Izadpanh, vluchteling uit Afghanistan, die tot een jaar geleden met haar vier kinderen in het Overijsselse IJsselmuiden woonde. Ze vertrok uit het dorp toen er ’s nachts door jongens uit het dorp een steen door de ruit werd gegooid. Marzia krijgt het er nog koud van als ze eraan terugdenkt. “We waren de enige buitenlanders in het dorp, maar we voelden ons er goed en vooral met de directe buren hadden we veel contact”, zegt ze. Tot ze die nacht geluiden hoorde die haar deden denken aan de oorlog in haar vaderland. Ze schrok, dacht dat misschien de tv gevallen was, maar zag in de woonkamer dat er glas op de vloer onder de gordijnen lag. Ze schoof de gordijnen opzij en zag dat de ruit aan diggelen was. “We waren in het dorp wel eens uitgescholden omdat we niet Nederlands waren, maar daar werd ik niet zo bang van”, zegt Marzia. “Dit ging natuurlijk veel verder. Een paar dagen later waren we weg.”

”In Afghanistan waren de kinderen nog nooit naar school geweest. De meisjes mochten niet en Masir kon ik niet laten gaan omdat het te gevaarlijk was op straat.”Nu woont Marzia met haar zoon en drie dochters in Kampen. De buurvrouw uit IJsselmuiden komt nog geregeld op bezoek en tijdens het interview komt een buurvrouw uit de flat even een praatje maken. De kinderen zijn samen met Margriet, de vrijwilliger van VluchtelingenWerk, naar een braderie in het dorp. Marzia’s oudste kind, Masir (15) zit op voetbal, Marzia zelf heeft zwemlessen. “Als ik mijn diploma heb, is er weer wat geld over en kunnen de meisjes ook iets kiezen”, zegt ze. Ze willen piano leren spelen, of gitaar. Marzia: “Ze doen het heel goed op school. Daar ben ik heel blij om, want in Afghanistan waren de kinderen nog nooit naar school geweest. De meisjes mochten niet en Masir kon ik niet laten gaan omdat het te gevaarlijk was op straat. Ze hebben hier extra hulp gehad en nu gaat het dus heel goed.”
Ze is de maatschappelijke begeleiding van VluchtelingenWerk er dankbaar voor; zonder hen was het allemaal nog veel moeilijker geweest een leven op te bouwen in dit nieuwe land. “Van de buren krijg ik hulp bij praktische dingen, zoals fietsbanden plakken of af en toe een ritje met de auto als we iets verder weg moeten. VluchtelingenWerk heeft vooral veel geholpen met de uitkering en met het verhuizen van IJsselmuiden naar Kampen. Ik doe er ook vrijwilligerswerk, elke woensdagochtend in de kantine. Dan kan ik praten, vooral met Margriet. Over de gedachten die maar blijven draaien in mijn hoofd. Over mijn overleden man, over mijn familie, over het vluchten.”

Vluchtelingen spreiden

Monique Holthuis van Delta Wonen, de woningbouwvereniging in Kampen, voert nauw overleg met de Kampense afdeling van VluchtelingenWerk over het huisvesten van vluchtelingen. De Kampense afdeling neemt contact op met Delta als een vluchteling een status heeft gekregen en woonruimte zoekt, maar Delta legt ook zelf contact als er een woning beschikbaar is. “We moeten jaarlijks een bepaald aantal vluchtelingen huisvesten, dus gaan we op zoek als er iets vrij is”, zegt Monique Holthuis. “Het is het slimst om dat via VluchtelingenWerk te doen, want zij kennen de persoonlijke situatie van vluchtelingen.” Niet dat er héél persoonlijk gekeken wordt; ook voor vluchtelingen zijn met name inkomen en gezinsgrootte van belang bij de toewijzing. “Maar we proberen vluchtelingen wel over de stad te spreiden”, zegt ze. “Wat dat betreft waren we wel blij met de komst van de eerste vluchtelingen, zo’n vijftien jaar geleden. Er was destijds één wijk waar vooral veel Turken woonden, nu zijn, door de vluchtelingen, alle wijken wat gemixter geworden. Dat vinden we een goeie zaak.”

De expertise van VluchtelingenWerk en de toegevoegde waarde die de vereniging heeft bij inburgering, wordt door gemeentes erkend.Ook dát is dus een onderdeel van de maatschappelijke begeleiding die VluchtelingenWerk overal in het land biedt: niet alleen de vluchteling is erbij gebaat, maar ook de gemeenschap waar de vluchteling woont, en daarmee de samenleving als geheel. Roswitha Weiler van het landelijk bureau van VluchtelingenWerk verwacht overigens dat de term ‘maatschappelijke begeleiding’ de nieuwe Wet Inburgering niet zal overleven, hoe de wet uiteindelijk ook precies uitpakt. “Stel dat gemeenten inderdaad geen verplichting en budget krijgen om te investeren in inburgering, dan moeten verschillende stichtingen in gemeentes meedingen aar potjes die bijvoorbeeld op projectbasis vrijkomen. Dan bied je niet ‘maatschappelijke begeleiding’ als breed pakket aan, maar spits je het zoveel mogelijk toe. Een traject voor de eerste opvang, een traject voor verdere begeleiding, een traject voor werk, voor taallessen, om maar eens wat te noemen.”
Plaatselijke VluchtelingenWerk-groepen zullen dan in ‘competitie’ moeten met andere aanbieders, zoals bijvoorbeeld welzijnsinstellingen of reïntegratiebureau’s. Enigzins geruststellend zijn de uitkomsten van het eerder genoemde onderzoek van Motivaction naar de houding van lokale bestuurders ten opzichte van inburgering van vluchtelingen en de rol van VluchtelingenWerk daarin: de groep lokale bestuurders die zegt zelf geld voor inburgering te willen reserveren (44 procent van de ondervraagde gemeentes), wil in overtuigende meerderheid geld beschikbaar stellen voor maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen en andere nieuwkomers én daarvoor samenwerking aan te gaan met groepen van VluchtelingenWerk. De expertise van VluchtelingenWerk en de toegevoegde waarde die de vereniging heeft bij inburgering, wordt dus erkend.

Goedkoop abonnement

Voor de familie Izadpahn en de familie Osoble loopt het proces van inburgering en de periode van maatschappelijke begeleiding langzaamaan ten einde. Ze hebben hun plek in Nederland wel gevonden.
De zoon en de drie meiden van Marzia Izadpahn zien eruit als stralende (bijna-)pubers die gewoon lekker in hun vel zitten, Marzia zelf heeft het moeilijker vanwege de ‘draaiende gedachten’ in haar hoofd maar vindt gelukkig een luisterend oor bij een paar Nederlandse vriendinnen en bij Marijke van VluchtelingenWerk. Én ze is zeer tevreden over het contact dat ze heeft met de huisarts, die haar goed helpt.
Ali Abdulle Osoble laat foto’s van zijn gezin zien. Hij is bere-trots op ze, zeker op zijn vrouw die al zo goed Nederlands spreekt en in vele opzichten sprongen voor is op haar man. Laatst nog, probeerde ze hem iets duidelijk te maken, maar, zo geeft hij toe, hij wilde niet luisteren. “Er viel een aanbieding in de brievenbus”, vertelt hij. “Een abonnement voor de mobiele telefoon, hartstikke goedkoop. Faduma zei dat ik dat niet moest geloven, dat zoiets in Nederland altijd meer kost dan ze zeggen en er altijd kosten bijkomen. Maar het stond er toch echt, zeven euro vijftig per maand voor een vast aantal belminuten.” Ali negeerde Faduma’s waarschuwing, vroeg het abonnement aan en moest zijn vrouw niet veel later gelijk geven: er kwamen verzend- en aansluitkosten bij, en die zeven euro vijftig bleek exclusief btw. “Ze kon er wel om lachen”, zegt Ali, “want ik betaal het toch uit mijn eigen zak.”

Na het interview, bij de voordeur, reageert hij nog even op de suggestie een sticker op de brievenbus te plakken, zodat ongevraagd drukwerk en daarmee de aanbieding-verleiding buiten de deur blijft. Geen optie, zegt hij, want van buurtgenoten heeft hij gehoord dat je dan sommige informatie over de wijk ook niet meer krijgt en díe wil hij niet missen. “Ik doe tegenwoordig met reclame wat mijn vrouw en kinderen ook doen”, zegt hij, wijzend op een doos in de hoek van de hal. “Húp, in de papierbak ermee.”

Nieuw: de Integratiebarometer
Deze maand publiceert VluchtelingenWerk Nederland voor het eerst de Integratiebarometer. Daarin wordt aan de hand van objectieve criteria bekeken hoe het ervoor staat met de integratie van vluchtelingen. Een deel gaat over sociale integratie, een deel over economische integratie.
Sociale integratie draait vooral om het hebben van contacten met Nederlanders en de mate waarin een vluchteling zich thuisvoelt in Nederland. Vooral hoger opgeleiden van middelbare leeftijd doen het wat dat betreft goed, net als vrouwen en jong-volwassenen. Het beheersen van het Nederlands en het hebben van een Nederlands diploma, helpen bij de integratie op sociaal vlak, maar zijn niet ‘de sleutel’ tot succes. Sociale integratie, zo blijkt, is een te ingewikkeld proces om terug te brengen tot een aantal factoren. Vluchtelingen zelf geven aan dat de eigen inzet, doorzettingsvermogen en motivatie een belangrijker rol spelen dan meetbare factoren als het al of niet vloeiend spreken van de taal.
Een Nederlands diploma en het spreken van de taal, dragen logischerwijs wel bij aan de economische integratie. Daarbij: hoe langer een vluchteling in Nederland is, hoe groter de kans dat hij of zij een baan heeft of een opleiding volgt. Een economisch geïntegreerde is vaker een man dan een vrouw, en vooral Afghanen doen het op economisch vlak goed.
Sociale en economische integratie gaan niet altijd hand in hand. Een kwart van de vluchtelingen doet het op beide vlakken goed: zij hebben een baan of volgen een opleiding en doen actief mee in de samenleving. Een ongeveer even grote groep is wel sociaal maar niet economisch geïntegreerd, vijftien procent doet het in economisch opzicht goed maar blijft sociaal achter. Een derde heeft noch sociaal, noch economisch zijn plek in Nederland gevonden.



september 2005

Fréderike Geerdink - Journalist