Linken naar deze pagina?
Het populisme, hoe moet je je daar tegen verweren? Tegen een burgemeester die voorstelt voortaan alleen nog asielzoekers uit Europese landen toe te laten? Tegen een minister die Afrikanen in vluchtelingenkampen zegt dat ze op hun continent moeten blijven, alsof duizenden Afrikaanse vluchtelingen dat niet al decennia lang doen? Tegen het harde klimaat dat sinds een paar jaar in Nederland heerst tegen allochtonen? “Je dicht VluchtelingenWerk veel macht toe als je denkt dat je zo’n klimaat kunt veranderen.”
Toch benoemt Eduard Nazarski het als nederlaag dat de terugkeerregeling van minister Verdonk maar zo minimaal inzet op begeleiding bij terugkeer, en was het een enorme kater dat de ‘eenmalige bijzondere maatregel’ zo mager uitpakte en vele ingeburgerde asielzoekers Nederland alsnog moesten verlaten, ondanks het enorme maatschappelijk draagvlak voor zo’n ‘eenmalig pardon’. Nazarski: “Ik raakte daar soms vertwijfeld van, zoekend. Ik vroeg ook wel eens aan mijn medewerkers: ben ík nou gek geworden, of zij in Den Haag?”
“In het begin wist ik niet eens het verschil tussen een asielzoeker en een vluchteling.”Ruim vijftien jaar geleden is het, dat Nazarski (1953) bij VluchtelingenWerk Nederland binnenkwam. Niet omdat hij zo’n enorme band voelde met vluchtelingen, maar gewoon omdat hij een leuke baan in de krant zag staan en toe was aan iets nieuws na een aantal jaren directeurschap bij het Landelijk Steunpunt Vrijwilligers. “Ik zou vier regionale bureau’s moeten aansturen vanuit het hoofdkantoor, en dat leek me een interessante managementtaak. Met het inhoudelijke beleid van VluchtelingenWerk had ik toen nog niet veel te maken. En dat is maar goed ook: in het begin wist ik niet eens het verschil tussen een asielzoeker en een vluchteling.”
Inmiddels is het inhoudelijke zijn drive geworden. Dat begon toen hij zag dat asielzoekers werden opgesloten – op Schiphol-Oost in de jaren rond 1990 – en jarenlang werden buitengesloten in asielzoekerscentra zonder dat ze iets omhanden hadden. De verontwaardiging die hij daarover voelde, is gebleven, en richt zich nu bijvoorbeeld op het afgeschafte categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak: alle verblijfsvergunningen die op basis van dat beleid werden verstrekt, worden heroverwogen. Nazarski: “Waarom wordt het beschermingsbeleid beëindigd? Niet omdat het in Centraal-Irak veiliger is, maar omdat Duitsland ook geen speciaal beleid meer voert. De Nederlandse regering zou er bij Duitsland op kunnen aandringen vluchtelingen uit Centraal-Irak te blijven beschermen, maar nee, we kiezen ervoor het Duitse beleid over te nemen!”
Maïsvelden
Dat hij ook in die kwestie geen media-moment voorbij liet gaan om zijn mening te laten horen, hoeft niemand te verbazen: Nazarski staat erom bekend dat hij omwille van de vluchteling gráág voor camera, microfoon en met blocnote bewapend journalist klaarstaat (“Een mediamoment voorbij laten gaan, is schandalig, een kans is een kans en die moet je pakken!”) en met een paar zinnen treffend verwoordt wat VluchtelingenWerk ervan vindt. Onvermoeibaar is hij daarin, al heeft het lang niet altijd het effect dat hij zou willen.
Zoals ruim tien jaar geleden, toen er niet genoeg opvang was voor de toen nog vijfendertig- tot vijftigduizend asielzoekers die jaar lijks naar Nederland kwamen. “Asielzoekers brachten de nacht door in maïsvelden, het liep niet goed, en daar was Frits Bolkestein om het onbehagen tegen buitenlanders zonder enige nuance te verwoorden en daarmee aan te wakkeren. Dat onbehagen keerde zich tegen asielzoekers, en dat ging zelfs zover dat een burgemeester vond dat we maar geen asielzoekers meer moesten opnemen die van buiten Europa kwamen. Met andere woorden; geen zwarten meer.”
Als het allemaal zo weinig uitmaakt wat je zegt, hoe goed je argumenten ook zijn, dan zinkt de moed je wel eens in de schoenen.Het lukte VluchtelingenWerk niet het tij te keren. “We hadden geen goed verweer tegen de populistische one-liners. Dan kun je zelf ook je nuance laten varen, maar daar heb ik nooit voor gekozen want asielkwesties zíjn nou eenmaal niet eenduidig en ongenuanceerd. Het gevolg is dat je minder goed wordt gehoord en het debat niet echt van toon kunt veranderen.”
Het terugkeerbeleid voor uitgeprocedeerde asielzoekers is een ander gebied waarop tegenslagen verwerkt moesten worden. “De terugkeerregeling zou sluitend zijn, maar dat is hij niet, hij is juist heel beperkt.” Te weinig begeleiding, te weinig tijd om de terugkeer goed te regelen, en te onduidelijke regels voor mensen die het buiten hun schuld niet lukt om terug te keren naar hun land van herkomst. Uitgeprocedeerden belanden op straat, in noodopvang van gemeenten of in het gevang. Nazarski: “Ik had een enorme kater na die discussie. Ik kwam in die tijd ook wel eens ’s ochtends op kantoor met de mededeling dat ik geen zin had die dag. Als het allemaal zo weinig uitmaakt wat je zegt, hoe goed je argumenten ook zijn, dan zinkt de moed je wel eens in de schoenen. Niet te lang hoor, dat niet. Als directeur ben je er verantwoordelijk voor de draad weer op te pakken en te kijken wat je er nog wél aan kunt doen, waar nog kansen liggen.”
Nazarski is er trots op dat hij niet de enige was die de schouders er graag telkens opnieuw onderzetten: “Achtduizend vrijwilligers en honderden betaalde krachten doen in deze moeilijke omstandigheden nog steeds gemotiveerd hun werk. Dat is toch wonderlijk?”
boodschap
Nieuwe motivatie haalde hij vooral uit de mensen waar het hem uiteindelijk om te doen was: “Af en toe spreken asielzoekers en vluchtelingen me aan en vertellen ze me dat ze zo goed zijn geholpen door VluchtelingenWerk. Ook niet-asielzoekers geven soms een schouderklopje. Laatst nog, toen ik in de trein zat met mijn zoontje van zes. Komt er een man naar ons toe die tegen mijn zoontje zegt: ‘Jouw vader is een hele goeie man, weet je dat wel?’ Zoiets gebeurt niet vaak hoor, maar het doet wel goed. Sommige mensen horen je boodschap wél. Er zijn mensen die er blij mee zijn dat VluchtelingenWerk voor ze opkomt.”
Gevraagd naar zijn hoogtepunten als directeur van VluchtelingenWerk, schiet hij eerst in de lach. “Geen eentje”, zegt hij. Nou ja, in politieke zin dan; daar waren geen hoogtepunten, alleen slechts af en toe een succes. Zoals toen bijna tien jaar geleden wettelijk werd bepaald dat vluchtelingen tijdens hun inburgering recht hebben op maatschappelijke begeleiding. Het belang van die door VluchtelingenWerk overal in het land geboden begeleiding, werd daarmee onderkend. “Maar de echte hoogtepunten heb ik beleefd in de samenwerking met collega’s. Werken met bevlogen mensen, die eerlijk zijn en kritiek durven geven.”
”Heel naief zei Nawijn dat hij zich persoonlijk wilde inzetten voor schrijnende gevallen en dat hij brieven daarover serieus zou bekijken. Ik stond naast hem en zei: ‘Nu kríjg je al die brieven hoor’.”Nooit vergeten zal hij de bijeenkomst in Vredenburg in Utrecht, 14 januari 2003. Inzet: een rechtvaardig en menselijk asielbeleid, én een ruimhartig generaal pardon voor asielzoekers die al jaren in Nederland woonden en nog steeds geen uitsluitsel over hun asielaanvraag hadden. “Al die mensen in die overvolle zaal die het allemaal met elkaar eens waren, fantastisch gewoon. Nawijn was er ook, destijds de demissionair minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. Heel naief zei hij dat hij zich persoonlijk wilde inzetten voor schrijnende gevallen en dat hij brieven daarover serieus zou bekijken. Ik stond naast hem op het podium en zei: “Nu kríjg je al die brieven hoor”. De saamhorigheid tijdens die bijeenkomst was geweldig.” Dat het politiek gezien uiteindelijk vrijwel niets opleverde – Nawijns opvolger Verdonk kwam met een minimale eenmalige bijzondere maatregel – doet volgens Nazarski aan het succes van die dag niets af.
Eén kreet komt tijdens het interview verschillende keren terug: Van Schiphol tot Emplooi. Voor de niet-ingewijden: dat was een rapport van VluchtelingenWerk, gepubliceerd in 1992, waarin de vereniging op een rijtje zette hoe ze vluchtelingen en asielzoekers zou begeleiden in Nederland, van hun aankomst op Schiphol tot het vinden van ‘emplooi’. Emplooi is ook de naam van het arbeidsbemiddelingsbureau voor vluchtelingen, dat ooit – in 1989 – begon als project bij VluchtelingenWerk. De gedachte achter dat rapport symboliseert volgens Nazarski alles waar VluchtelingenWerk voor staat en alle deskundigheid die de vereniging in huis heeft. Door Van Schiphol tot Emplooi, zegt hij, viel het kwartje bij hem pas écht: “Ik was ruim een jaar in dienst, en door dat rapport snapte ik voor het eerst waar het hier om draait. En het was ook een belangrijk rapport voor VluchtelingenWerk: alles wat we te bieden hebben, stond daar heel mooi uitgekristalliseerd op een rijtje. Het was de definitieve stap naar een gestructureerde organisatie met duidelijke producten.”
Zinkend schip
Het is in feite door dat rapport, en door de uitbouw en verdere professionalisering van de diensten van VluchtelingenWerk die erin staan beschreven, dat Nazarski positief is over de toekomst van de vereniging die hij achterlaat. Er stáát iets, en daar kan niemand die zich bezighoudt met vluchtelingen en asielzoekers, omheen. Hij wil dan ook niets weten van de suggestie dat hij op tijd een zinkend schip verlaat. “Onzin, echt absolute onzin. Er komen minder asielzoekers naar Nederland, dat is natuurlijk waar, maar dat maakt van VluchtelingenWerk echt geen zinkend schip. Je weet nooit of die aantallen in de toekomst niet weer zullen stijgen, maar afgezien daarvan: integratie wordt een steeds belangrijker thema, en wij hebben ongelooflijk veel kennis en ervaring op dat gebied. Wij zijn dé vereniging die weet hoe je vluchtelingen een plek geeft. Nieuwe vluchtelingen, maar ook mensen die hier al langer zijn en die bijvoorbeeld weinig kansen hebben op de arbeidsmarkt.”
VluchtelingenWerk breidt haar deskundigheid en diensten op dat gebied ook uit. Met de IntegratieBarometer bijvoorbeeld. Daarmee onderzoekt de vereniging hoe het ervoor staat met de integratie van vluchtelingen en vraagt ze tegelijkertijd aandacht voor dat thema. Nazarski: “Ook het Banenoffensief is een belangrijk initiatief: daarmee willen we de komende jaren meer vluchtelingen aan het werk helpen.”
Europa kan bijvoorbeeld wel zeggen dat meer vluchtelingen in de regio opgevangen moeten worden, maar hoe zit het dan met de omstandigheden in die vluchtelingenkampen in Afrika en Azië?Goed, er moet worden gesneden in het personeelsbestand en het klimaat naar buitenlanders blijft onverminderd hard, maar Nazarski hoopt dat mensen daar ‘overheen kunnen kijken’: “Ik probeer uit te dragen dat de organisatie niet het doel is, maar het instrument, en dat je dat instrument zo effectief mogelijk moet inrichten om je werk goed te kunnen doen. Dat betekent op dit moment dat we krimpen, maar dat is niet erg. Juist in een tijd als nu blijkt of je als organisatie genoeg elan hebt om je te voegen naar de nieuwe omstandigheden. Of je zo’n innovatie aankunt. Ik geloof dat VluchtelingenWerk dat kan, puur omdat we inhoudelijk wat te bieden hebben.”
Niet alleen op integratiegebied trouwens, ook op internationaal niveau heeft VluchtelingenWerk een rol te vervullen. Er moet gelobbyd worden. In Den Haag en zeker ook in Brussel, want, om maar eens iets te noemen, Europese regels moeten in Nederlandse wetgeving worden ingepast en daarbij is een kritische vinger aan de pols van VluchtelingenWerk onontbeerlijk. Ook op internationaal niveau is veel te doen. Europa kan bijvoorbeeld wel zeggen dat meer vluchtelingen in de regio opgevangen moeten worden, maar hoe zit het dan met de omstandigheden in die vluchtelingenkampen in Afrika en Azië? Neemt Europa daar verantwoordelijkheid voor, komt daarvoor geld beschikbaar? Bij die grote internationale vraagstukken blijft Nazarski overigens betrokken: zijn zetel in de ECRE, de internationale koepel van vluchtelingenorganisaties, houdt hij aan.
”Op landelijke bijeenkomsten bleek wel eens hoe groot de kloof was tussen ons landelijke beleid en de regionale praktijk van alle dag.”Er is nog iets dat Nazarski vertrouwen geeft voor de toekomst: VluchtelingenWerk heeft eerder woelige periodes doorgemaakt, waarin vooral op regionaal en lokaal niveau organisatorisch vlak veel veranderde, en daar is de vereniging goed uitgekomen. “Als directeur is je macht in zulk soort situaties beperkt. Het enige wat je kunt doen, is uitleggen waarom een reorganisatie nodig is en met mensen gaan praten. Ik ben veel naar regionale bijeenkomsten gegaan, puur om te weten wat er speelt. En soms waren er landelijke bijeenkomsten waar mensen uit de regio naartoe kwamen. Dan bleek wel eens hoe groot de kloof was tussen ons landelijke beleid en de regionale praktijk van alle dag.”
Hij haalt een bijeenkomst aan waarin een vrijwilliger vroeg naar het standpunt van het landelijk bureau inzake statenloze Palestijnen. De deskundige van het landelijk bureau schudde een interessant staaltje internationale politiek en volkenrecht uit zijn mouw: “Dat duurde een kwartier, en toen zei die vrijwilliger: ‘Heel interessant, maar wat vertel ik nou morgen op het spreekuur aan die Palestijn?” Die kloof ís er, en volgens Nazarski is het de kunst er als directeur voor te zorgen dat je weet wat er speelt en dat mensen het gevoel krijgen dat ze worden gehoord en gesteund. “En dat is me gelukt.”
Melancholie
Dat hij de komende veranderingen niet zal leiden, heeft alles te maken met de behoefte aan een nieuwe stap in zijn loopbaan. “Ik werd in september benaderd door Amnesty met de vraag of ik eens wilde komen praten. Ik dacht: ik ben 52, werk nu vijftien jaar bij VluchtelingenWerk en als ik niet tot mijn pensioen hier wil blijven, moet ik nu iets doen. Dus ben ik het gesprek aangegaan.” Wat hij níet had gedaan zonder vertrouwen in de toekomst van VluchtelingenWerk: “Op een zinkend schip zou ik gebleven zijn om persoonlijk het licht uit te doen.”
Aan al te veel tastbaars als herinnering aan zijn tijd bij VluchtelingenWerk heeft hij geen behoefte. Een exemplaar van Van Schiphol tot Emplooi wil hij wel thuis in de boekenkast hebben staan, en hij neemt de reorganisatienota’s uit – zonder een seconde over de jaartallen na te denken – 1993, 1997 en 2001 mee, om nog eens terug te kijken hoe de organisatie zich heeft ontwikkeld. “Leuk om te hebben, en misschien is het deels melancholie. Daar ben ik ook niet wars van. Maar die melancholie zit niet in papieren stukken, die zit natuurlijk vooral in de mensen die van VluchtelingenWerk een mooie club maken. Ik voel me er onderdeel van, het zit in mijn ziel.”
Vrijdag 17 februari is zijn laatste dag. ’s Ochtends nog een overleg over de komende verkiezingen, dan zijn kantoor opruimen en dan een biertje met een paar collega’s. Of twee. Van een verminderde betrokkenheid bij vluchtelingen omdat hij toch bijna weg is, merkt hij vooralsnog helemaal niets. Vlak voor het interview bijvoorbeeld, vond hij nog even tijd een ingezonden brief te schrijven naar dagblad Trouw, over de Kosovaarse VWO-scholiere Taïda Pasic die haar middelbare school in Nederland wil afmaken maar vooralsnog geen verblijfsvergunning krijgt. Taïda moest zich tijdens de les op het politiebureau melden en werd overgebracht naar een uitzetcentrum. “Er is dus iemand die beslist dat dat meisje tijdens de les naar een uitzetcentrum gebracht moet worden, en iemand voert dat uit. Hoe verantwoord je zoiets voor jezelf? Dan moet je geweten toch opspelen? Zo’n meisje opsluiten, zomaar van het ene op het andere moment, terwijl er niet eens een vliegtuig klaarstond en er dus geen acute reden was haar op te sluiten? Ik snap dat niet.”
Op zijn bureau staat zo’n winterlandschapje in een bol, waarin je het al schuddend laat sneeuwen. Met daarin: een saxofoonspelertje.Na dat biertje een paar weken vrij. Mooi in de schoolvakantie van de kinderen, zodat ze nog even met z’n viertjes wegkunnen ook. En, niet te vergeten, hij is precíes vrij met carnaval. Wat niet uitzonderlijk is, want met carnaval is hij elk jaar vrij. Hij slaat geen mogelijkheid over om met dweilorkestje-met-vrienden-van-vroeger álle kroegen in zijn geboorteplaats Roggel af te gaan en biertjes te drinken. Saxofoon speelt ‘ie, al van kinds afaan. Op zijn bureau staat zo’n winterlandschapje in een bol, waarin je het al schuddend laat sneeuwen. Met daarin: een saxofoonspelertje. “Dat heb ik in 1994 gekregen van mijn vrouw. Ik werkte me het lazarus en ze gaf me die bol met als boodschap: je doet je werk geweldig, maar laat je niet helemaal meezuigen en probeer de balans te bewaren met ándere dingen die je belangrijk vindt.” Een boodschap die hij graag in gedachte houdt, ook in hartje Amsterdam in het pand van Amnesty. Inpakken en voorzichtig meeverhuizen dus, dat bolletje. Net als dat andere vaste item op zijn bureau: een speeldoosje. Ooit gekregen van een zakenrelatie. Daarin: een muziekje van Beethoven. “”Degene die het me gaf, wist het niet, maar het is een muziekstuk dat ik als kind vaak met mijn ouders uitvoerde op klarinet en piano. Ook dat heeft me altijd herinnerd aan de dingen die náást het werk belangrijk zijn.”
maart 2006
©2006 Fréderike Geerdink
site-engine: Pêng Smart Web Design
- beheer