Linken naar deze pagina?
“Ik kwam terug op aarde toen ik onderaan de trap lag. Daar had Nout me afgeragd. Ik wist: nu is het over. Gek genoeg bleefik heel rustig en heb ik hem zonder stemverheffing verteld dat hij zich onwaardig gedroeg en dat ik aangifte zou doen.
Als ik er nu op terugkijk, geloof ik dat ik op dat moment een enorme sprong in mijn ontwikkeling maakte. Ineens was ik niet meer bang om bij hem weg te gaan. Om alleenstaand moeder te worden, om zelf verantwoordelijk te worden voor het gezinsinkomen, om zonder partner te zijn. Ik voelde me sterk.
Het was nog nooit zo erg uit de hand gelopen als die middag dat hij me de trap afgooide. Het was echt een idiote situatie: ik werd zelfs aangevallen door zijn moeder. We logeerden bij zijn ouders. Met zijn moeder had ik nooit goed kunnen opschieten en er ontstond een woordenwisseling tussen haar en mij. Ik ging daarna naar boven. Nout kwam ook de trap op, gooide me op bed en begon me te schoppen en slaan. Ik schreeuwde om hulp en hoorde zijn ouders naar boven komen. Het lukte me van het bed op te staan, zijn ouders kwamen binnen en tot mijn verbijstering gooide zijn moeder me terug op het bed en begon zíj me te slaan. Ik schreeuwde dat ze op moest houden, Nouts vader, een arts, riep over mij: ‘Ze is hysterisch, ze moet naar het ziekenhuis!’. Toen het opnieuw lukte op te staan en ik naar mijn dochtertje wilde gaan omdat ik haar in haar kamertje hoorde huilen, werd ik van de trap gegooid. En met die klap kwam ik dus bij mijn positieven.
Twee dagen later heb ik samen met een vriendin aangifte gedaan. Er werd proces verbaal opgemaakt, daarna moest ik naar de technische recherche om foto’s te laten maken van mijn verwondingen. Dat was confronterend, de enorme bloeduitstorting op mijn heup en de blauwe plekken overal. Ik dacht: nu hoor ik dus bij de statistieken. Bij die tien procent van de vrouwen die met huiselijk geweld te maken krijgt, of wat is het percentage ook alweer. Ik had nooit gedacht dat ik daarbij zou horen. Hoogopgeleid, goed gebekt, met een druk sociaal leven en met een hoger opgeleide man.
Het is gek: ik wist best dat huiselijk geweld niet alleen voorkomt bij lager opgeleide vrouwen of allochtonen, en het overkwám me, maar toch zag ik mezelf niet als een mishandelde vrouw. Ik vond telkens verklaringen voor de situatie waar ik in zat. Daar ben ik goed in, me in anderen verplaatsen en rationele verklaringen bedenken voor situaties en omstandigheden. Door er op zo’n rationele manier mee om te gaan, verloor ik gaandeweg mijn eigen gevoelens uit het oog. En verschoof ik mijn grenzen steeds verder. Ik weet nog dat ik het er eens met een vriendin over had dat Nout soms gewelddadig was. Ik zei: ‘Een keer een klap is nog tot daar aan toe, maar verder moet het toch eigenlijk niet gaan’. Ze zei: ‘Carolien, hoor je wel wat je zégt?’”
Artsengezinnen
Aan vooroordelen geen gebrek als het gaat om huiselijk geweld. Het treft voornamelijk lager opgeleide vrouwen, bijvoorbeeld. En onder Nederlanders is het zeldzaam: vooral allochtone mannen met onmondige vrouwen maken zich er nog schuldig aan. Een hoger opgeleide, goedgebekte Hollandse vrouw zorgt wel dat ze geen slachtoffer wordt van huiselijk geweld, die bijt wel van zich af.
Helaas: huiselijk geweld is niet terug te brengen tot een paar simpele statements. Het kan iedereen treffen, zegt Justine van Lawick, psychotherapeute en een autoriteit op het gebied van huiselijk geweld. Ze is mede-oprichtster van het Lorentzhuis, een gespecialiseerd centrum voor hulpverlening rondom huiselijk geweld. Het centrum zetelt in een statig Haarlems pand en heeft cliënten uit alle lagen van de bevolking. Of, zoals Van Lawick het omschrijft: "Mensen uit de flats in een grote Haarlemse achterstandsbuurt én artsengezinnen uit Aerdenhout."
Cijfers over het aantal hogeropgeleide vrouwen dat slachtoffer wordt van huiselijk geweld, zijn er niet, maar Van Lawick meldt dat je drie keer meer kans hebt slachtoffer te worden als je klein behuisd bent, een laag inkomen hebt, werkloos bent en in de schulden zit. De reden? Van Lawick: "Het is frustrerend werkloos te zijn, schulden te hebben en in huis voortdurend op elkaars lip te zitten. Dat geeft stress en hoe meer stress, hoe makkelijker een oerimpuls als gewelddadig gedrag doorbreekt. Want dat is geweld: een oerimpuls. Iets heel menselijks dus. Iedereen heeft het in zich; kijk maar naar kinderen van twee jaar die elkaar met een schepje op het hoofd meppen. Door opvoeding leer je je emoties anders te uiten, maar de oerimpuls blijft bestaan. En door frustaties kan die de kop opsteken."
Waar ze aan toevoegt dat het bij hoger opgeleiden vaker dan bij sociaal-economisch zwakkeren nogal eens drank en vooral drugsgebruik zijn die de oerimpuls tot leven wekken.
”Ik was nog verliefd, hij had natuurlijk spijt en zei dat hij iets aan zijn agressieve neigingen zou doen.”Bij Carolien had het geweld niets te maken met frustraties over schulden, werkloosheid en een te klein huis. Integendeel: ze woonde nét samen, zij en haar vriend Nout waren beide bijna afgestudeerd – zij in de sociologie, hij in vertaalwetenschap – en hadden een prima toekomst voor zich. Carolien: “We kenden elkaar ongeveer een half jaar toen hij me voor het eerst schopte. Waarom hij dat deed, weet ik niet meer, maar ik weet nog wel dat ik dacht: ‘Dít is dus het moment waarop je weet dat je weg moet gaan maar het niet doet’. Ik wist wel wat over mishandeling en ik wist heel goed dat het niet bij één keer blijft, maar toch ging ik niet. Ik was nog verliefd, hij had natuurlijk spijt en zei dat hij iets aan zijn agressieve neigingen zou doen.”
Vooralsnog blééf het ook bij die ene keer, en afgezien van die schop hadden ze het ‘echt leuk samen’. “Nou ja”, zegt Carolien, “er gebeurde wel eens vaker iets, maar het leuke leven dat we daarnaast hadden, woog voor mij op tegen het geweld. Zeker toen we allebei afgestudeerd waren. Ik had een baan, hij probeerde aan de bak te komen als vertaler, we hadden een druk sociaal leven. Nout was vooral agressief als we ruzie hadden. Niet alleen lichamelijk agressief, maar ook met woorden. Hij zei vaak dat hij me het liefst dood wilde. Ik denk, terugkijkend, dat hij weinig anders kon. Ik was verbaal veel sterker dan hij en ik was veel succesvoller in mijn werk. Hij kon niet tegen me op, voelde zich vaak een beetje een loser. Dus gebruikte hij lichamelijk geweld en zei hij zulke heftige dingen. Iets anders had hij niet.”
Later dit jaar – als de benodigde wetten zijn aangenomen, waarschijnlijk nog vóór de zomer – gaan er proeven lopen met een nieuwe aanpak, waar Gerda Dijksman, bij de politie landelijk projectleider huiselijk geweld, veel van verwacht: als er dreiging is van huiselijk geweld (bijvoorbeeld als iemand een baksteen door zijn eigen ruit gooit terwijl zijn gezin binnen is), kan de pleger een toegangsverbod tot zijn eigen huis krijgen opgelegd voor tien dagen. Een afkoelingsperiode, waarin meteen hulpverlening wordt gestart. Is er geen dreiging maar feitelijk geweld, dan volgt ook een huisverbod, maar dan nádat aangifte is gedaan. Dijksman: "Vroeger kon de politie alleen iets doen als een vrouw zelf aangifte deed, nu doet in zware gevallen de politie aangifte. Veel vrouwen zijn daar achteraf heel dankbaar om; ze wilden vaak wel zelf aangifte doen, maar durfden niet."
Een belangrijk verschil tussen huiselijk geweld bij sociaal zwakkeren aan de ene kant en hogeropgeleiden aan de andere kant, is de schaamte. Die is volgens Justine van Lawick veel groter bij hoger opgeleide slachtoffers. "Het past zo totaal niet in het beeld dat ze van hun leven hebben. Ze houden het over het algemeen ook langer verborgen. Dat is natuurlijk ook veel makkelijker in een vrijstaand huis dan in een flatje, om de uitersten maar eens te vergelijken. Niemand hoort je schreeuwen in een stille, ruim opgezette villawijk. Als je het financieel goed hebt, kun je de uiterlijke tekenen ook makkelijker camoufleren. Je laat jezelf opknappen bij de schoonheidsspecialist, je steekt jezelf in het nieuw, sjaaltje om je nek om rode striemen te verbergen, en aan de buitenkant ziet het er prima uit." Die vrouwen denken vaak: wie gelooft nou dat míj dit overkomt?
”Sloeg hij, dan gaf ik mezelf de schuld: ik had zijn geweldsuitbarsting niet kunnen voorkomen.”Wat betreft de mechanismen die spelen in een gewelddadige relatie, ziet Van Lawick niet zo veel verschil tussen lager en hoger opgeleide slachtoffers. Geweld maakt onzeker, zegt ze, en slachtoffers geven zichzelf de schuld. “Vrouwen voelen zich toch al verantwoordelijk voor de sfeer in huis”, voegt ze daaraan toe, “en zeker dan: ze proberen van alles om hun partner niet kwaad te maken. Dat lukt niet en het geweld gaat door, waardoor ze zich nóg kleiner voelen worden en nóg beter hun best doen het geweld te voorkomen. Die cirkel is maar moeilijk te doorbreken. Hoe sterk je in je werk of in je sociale leven ook bent, als je thuis wordt geterroriseerd, geef je mee, zo werkt dat nou eenmaal." Carolien herkent er veel in: “Ik dacht: als ik hem maar niet boos maak, schopt en slaat hij me niet, duwt hij me niet uit bed, wenst hij me niet dood. Sloeg hij wel, dan gaf ik mezelf de schuld: ik had zijn geweldsuitbarsting niet kunnen voorkomen.”
Precies de reden waarom óók vrouwen die het zich financieel zouden kunnen permitteren uit een gewelddadige relatie te stappen, dat tóch moeilijk vinden: de onzekerheid maakt dat je je te zwak voelt, dat je niet gelooft in je kracht op eigen benen te kunnen staan en het alleen te redden. Komt nog bij dat sommige vrouwen die mede dankzij hun huwelijk in financiële zin niets te klagen hebben, ook veel te verliezen hebben bij een scheiding. En gemakkelijk verstrikt raken in gedachtekronkels die het geweld bagatelliseren en die niet zo moeilijk te bedenken zijn: er is geweld, maar hij zórgt toch voor me? Zo slecht héb ik het toch niet?
Verbetering
Ook Carolien rekte haar grenzen steeds verder op, en ze zag dat ook bij zichzelf. “Als hij me niet zo'n harde klap gaf”, zegt ze, “dan zag ik dat als teken van verbetering, of zag ik dat niet als mishandeling. Ik weet nog dat ik een keer met een vriend een gesprek had over relaties. Hij zat ook in een relatie waarin hij zijn grenzen steeds verlegde. We herkenden veel in elkaar, en terugkijkend had ik toen weg moeten gaan.” Waarom ze bleef? “Ik voelde me toch verbonden met Nout, ik wilde proberen onze relatie te verbeteren. Ik dacht dat we er samen wel voor zouden zorgen dat het geweld zou stoppen. We waren toch allebei intelligente mensen? En: ik was 34, ik wilde moeder worden, en Nout wilde ook een kind. Dan ga je niet bij iemand weg, maar hoop je op verbetering.”
Carolien en Nout kregen een kind, en snel daarna werd alle hoop op verbetering van hun relatie, de bodem in geslagen. Carolien: “Nout wist denk ik niet wat hij met zijn nieuwe rol van vader aanmoest, het was hem een te grote verantwoordelijkheid en hij vond het moeilijk zijn vrije leven aan te passen. Misschien was hij ook wel jaloers op de aandacht die ik aan Iris gaf. Wat het ook was, hij reageerde zijn frustraties en onzekerheden af op mij, erger dan ooit tevoren. Gek genoeg maakte dat het alleen maar moeilijker om weg te gaan. Nout zei vaak dat ik een slechte moeder was en gek genoeg gelóófde ik dat. Als prille moeder ben je altijd wat onzeker, en mijn zelfvertrouwen wás al laag door de eerdere mishandelingen. Ik was ervan overtuigd dat ik het zonder partner niet zou redden, dat ik niet alleen kon zijn en Iris niet goed zou kunnen opvoeden. En wat zou ik tegen mensen in mijn omgeving moeten zeggen? De waarheid? Dat kon ik niet, ik schaamde me dood en dacht dat niemand me zou geloven.”
Gerda Dijksman, projectleider huiselijk geweld bij de politie, haalde zich onlangs de verontwaardiging van huisartsen op de hals door er verschillende keren voor te pleiten huisartsen hun beroepsgeheim te laten doorbreken als ze vermoeden dat een vrouw slachtoffer is van huiselijk geweld. Zou je dat doen, zo vrezen sommige medici, dan verlies je het vertrouwen van je patiënt en zie je haar misschien niet meer terug op het spreekuur, waardoor ze nog verder van huis is. "Wat ik zou willen", legt Dijksman uit, "is de mogelijkheid anoniem te melden, net zoals bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling. Dat kan niet bij de advies- en steunpunten huiselijk geweld die nu overal in het land worden geopend. Een gemiste kans. Na zo'n melding kunnen hulpverlening en politie in actie komen zonder dat slachtoffer en pleger weten van wie de melding kwam. Veilig voor iedereen, en artsen schenden hun beroepsgeheim niet." Ze vindt ook dat huisartsen die verantwoordelijkheid moeten nemen. "Geweld kan lang duren hoor, zelfs tientallen jaren lang. Als je dat wéét als huisarts en het laat bestaan, dat kun je toch gewoon niet verkopen?"
Hoop op verbetering is overigens niet bij voorbaat naďef. Sterker nog: tegenwoordig wordt in de hulpverlening aan stellen die met geweld te maken hebben, benadrukt dat er een einde moet komen aan het geweld, maar dat de relatie in stand kan blijven als beide partners dat willen. Een compleet andere benadering dan in de jaren zeventig, tijdens de eerste golf van aandacht voor huiselijk geweld. Toen waren het vooral de Blijf van mijn Lijf-huizen die opvang boden. Tot grote frustratie van de hulpverleners van destijds, bleken veel vrouwen na een periode in een 'Blijf-huis' weer terug te gaan naar hun partner. In dat geval werd de hulpverlening als mislukt beschouwd. Tegenwoordig is het uitgangspunt dat niet per se de relatie moet stoppen, maar het geweld. Een veel werkbaarder doel, volgens Van Lawick: "Stellen die bij mij in therapie zijn, zeggen vaak dat er naast het geweld ook veel binding en veel liefde is. Ja, ik geloof dat. Ze roepen heftige emoties bij elkaar op, in negatieve maar óók in positieve zin. De meeste plegers zíjn geen psychopaten die met ernstige dagelijkse mishandelingen beginnen zodra ze hun prooi in huis hebben. In de relatie is een gewelddadige dynamiek ontstaan, en die moet doorbroken worden."
”Hoe kun je eerlijk en open over communicatieproblemen en intimiteiten praten als je daarna thuis in elkaar geslagen wordt?En dat betekent: leren kijken naar de mechanismes die spelen, die ontwarren en ervan leren. De dader leert herkennen waar hij opgefokt van raakt, zodat hij gewelddadig gedrag ziet aankomen en er op tijd anders mee om kan gaan. Het slachtoffer leert de onderdanige, onzekere reacties herkennen en zich sterker op te stellen. Aan hulpverleners de taak het geweld te herkennen en op waarde te schatten, wat zeker bij hoger opgeleiden die met relatieproblemen naar een therapeut gaan, niet altijd meevalt. Van Lawick: "Zulke stellen gooien het nogal eens op 'communicatieproblemen', kunnen dat allemaal prima onder woorden brengen en analyseren en melden tussen neus en lippen door dat er 'wel eens een klap valt'. Niet alle hulpverleners nemen die mededeling serieus, terwijl in zo'n geval niet de communicatie het belangrijkste probleem is, maar het geweld. Dát moet eerst stoppen. Want hoe kun je eerlijk en open over communicatieproblemen en intimiteiten praten als je daarna thuis in elkaar geslagen wordt? Als het simpelweg niet veilig is?"
En vrienden, buren, familieleden die getuige zijn van huiselijk geweld, of het vermoeden? Laat zo’n vrouw niet los, is het advies dat elke hulpverlener zal geven. Immers: het is ongelooflijk moeilijk om hulp te zoeken, om aangifte te doen of uit een gewelddadige relatie te stappen. Dus: probeer haar te bewegen hulp te zoeken, verlies je geduld niet, blijf bij haar. Oók als je het gevoel hebt dat een vrouw weg kán, zelfs misschien al weg wás bij haar partner, maar ervoor kiest te blijven of terug te gaan. “Ik kan me wel voorstellen dat het frustrerend en beangstigend is te zien dat je vriendin of je dochter of zelfs moeder in een gewelddadige relatie blijft zitten. Ik heb nu een stel in behandeling waarvan de man zelfs een flinke gevangenisstraf heeft uitgezeten wegens huiselijk geweld, en zijn vriendin ging naar hem terug toen hij weer op vrije voeten kwam. Haar familie en vrienden lieten haar in de steek, terwijl ik zie dat ze ze zo hard nodig heeft. Ze werken aan hun relatie en het gaat écht beter. Ik geloof zelfs dat het goed gaat komen. Ze houdt nog van hem en hij van haar. Ze voelen zich verbonden met elkaar en willen samen verder. Dat moet je niet bestrijden. Dat kún je niet bestrijden."
”Ik ben gepest op de middelbare school, daar zitten misschien dezelfde mechanismes achter. Niet dat het mijn schúld was, dat niet, maar het overkwam míj.”Lang niet alle relaties zijn natuurlijk te redden. Als de liefde simpelweg over is, of als er te veel schade is aangericht. Maar alleen de relatie beëindigen zónder te kijken naar wat er nu precies speelde en waarom je in zo’n relatie terecht kwam, kan tot nieuwe ellende leiden: precieze cijfers zijn er niet over, maar wie zichzelf niet sterker maakt, geen inzicht heeft in haar eigen gedrag, heeft kans opníeuw in een gewelddadige relatie terecht te komen. Carolien: “Ik denk niet dat dat bij mij gebeurt. Ik zie wel wat er gebeurde, en ik zie dat ik al voor mijn relatie met Nout moeilijk grenzen kon stellen. Ik ben bijvoorbeeld gepest op de middelbare school, daar zitten misschien dezelfde mechanismes achter. Niet dat het mijn schúld was, dat niet, maar het overkwam míj en dus heeft het iets met mij te maken.”
Therapie heeft Carolien niet gehad. Alleen een paar gesprekken met een maatschappelijk werkster, die vooral op praktische zaken gericht waren, bijvoorbeeld over haar dochtertje en een omgangsregeling. Maar ze heeft de afgelopen maanden enorm veel gelezen over huiselijk geweld en veel over haar relatie met Nout nagedacht. “Als ik terugkijk”, zegt ze, “zie ik dat ik ondanks het geweld in die jaren ook aan kracht gewonnen heb.”
Open kaart
Haar familie en haar vriendenkring, zegt ze, zijn haar redding geweest. “Het laatste half jaar ongeveer heb ik wel open kaart gespeeld naar mijn ouders toe en heb ik ook een paar vrienden verteld wat er speelde, en hun steun heeft me gesterkt.” Ze noemt ook haar werk, dat haar beetje bij beetje meer zelfvertrouwen gaf. Ze had een aantal banen in haar vakgebied en kwam daarna op een afdeling voorlichting van een groot museum terecht. “Mentaal best pittig, met veel verantwoordelijkheid, maar ik kan het prima aan. En hoe onzeker ik ook was als moeder, het moederschap deed me ook goed, het gaf me een soort kracht. In huis was ik zwak, maar in mijn verdere leven ontwikkelde ik me. Die kracht kwam denk ik naar boven toen ik daar in mijn schoonouders huis onderaan de trap lag. Ik had iets opgebouwd in acht jaar tijd, en daar kon ik op terugvallen. Daardoor weet ik ook zeker dat dit me niet nog een keer gebeurt. Ik ben niet meer dezelfde Carolien. Ik ben ongelooflijk gegroeid."
Meer aandacht voor huiselijk geweld
Was huiselijk geweld dertig jaar geleden nog vooraleen thema van de vrouwenbeweging, tegenwoordig wordt het als groot maatschappelijk probleem gezien en is de kennis erover flink toegenomen. Niet alleen in de hulpverlening, maar ook bij de politie, in de politiek én daarbuiten: de Body Shop voert al jaren een campagne tegen huiselijk geweld, Amnesty International heeft het aan haar werkgebied toegevoegd, er worden studiepakketten ontwikkeld voor huisartenopleidingen en nog niet zo lang geleden werd een stille tocht gehouden voor een vrouw die uiteindelijk het leven liet door huiselijk geweld.
Waar de vernieuwde aandacht precies vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Deels heeft het te maken met de discussie die woedt over integratie van allochtonen: als er in de politiek over huiselijk geweld wordt gepraat, gaat het vaak over allochtonen, en lijkt het wel alsof het probleem alleen in die groepen speelt. Vreemd, vindt Gerda Dijksman, werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid in Dordrecht en landelijk projectleider huiselijk geweld: “Bij deskundigen op dit gebied is juist het besef gegroeid dat er vele verschillende groepen zijn waar dit voorkomt. In sommige culturen liggen de rollen voor mannen en vrouwen behoorlijk vast en snappen mannen gewoon niet wat er verkeerd mee is je vrouw te slaan als ze niet gehoorzaamt; dat kunnen allochtone milieu’s zijn, maar ook bijvoorbeeld heel streng christelijke. Dan zijn ouderen aparte slachtoffergroepen, en mannen, en zijn er ook vrouwelijke daders. Die nuance is belangrijk, want daar moet je beleid en hulpverlening op afstemmen.”
Wat ze alleen mist, zijn harde cijfers, heldere statistieken. Zelfs bij haar eigen werkgever, de politie, was tot 2004 geen landelijke registratie van meldingen van huiselijk geweld. Nu, dankzij haar inspanningen, wel. In 2004 kwamen er 56000 meldingen binnen, in 2005 waren dat er 57000. In 2005 werd van veertig procent van de meldingen aangifte gedaan, een stijging van vier procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Na aangifte volgt in zestig procent van de gevallen een aanhouding.
Gerda Dijksma: "Uit cijfers van het laatste grote onderzoek naar de bereidheid om aangifte te doen van huiselijk geweld, blijkt dat twaalf procent van de slachtoffers aangifte doet. Maar dat cijfer is inmiddels tien jaar oud, net als het cijfer dat één op de negen vrouwen slachtoffer is van huiselijk geweld. Er is dringend behoefte aan nieuwe cijfers om beleid op af te stemmen. Het aantal aangiftes is bijvoorbeeld een belangrijke graadmeter voor het vertrouwen dat slachtoffers hebben in de aanpak van hun probleem."
Ze gelooft overigens niet dat het probleem de laatste jaren groter is geworden. “Het aantal aangiftes stijgt, maar dat komt denk ik doordat het onderwerp weer op de agenda staat en omdat de hulpverlening is verbeterd en in veel grote en middelgrote steden speciale projecten zijn tegen huiselijk geweld die veel aandacht krijgen.”
Juni 2006
©2006 Fréderike Geerdink
site-engine: Pęng Smart Web Design
- beheer