Artikelen Boeken Brochures Workshops Links Contact Nieuwsbrief Home
Onderwerpen in Multiculturele samenleving:

15 laatste andere Multiculturele samenleving artikelen:
Meer...
Zoeken:

Linken naar deze pagina?

Gepubliceerd in Contouren:

Waarom mensen vluchten



Intimidatie, oorlog, geweld. In sommige omstandigheden rest mensen niets anders dan huis en haard achter te laten en op de vlucht te slaan. Op zoek naar een plek waar het veilig is, om zo het vege lijf te redden. In Contouren vertellen zes vluchtelingen waarom zij besloten hun moederland te ontvluchten.

Niemand verlaat familie, vrienden, huis en haard wanneer het niet absoluut noodzakelijk is. Vluchten doe je omdat je niet anders kúnt. Veel vluchtelingen komen uit landen waar oorlog en geweld het leven beheersen, zoals Somalië, waar elkaar bevechtende warlords al meer dan tien jaar de dienst uitmaken. Nog steeds worden in veel landen schrijvers, journalisten, vakbondsmensen of critici van een regime vaak dusdanig bedreigd dat ze hun land moeten verlaten. Religieuze groepen, zoals de Bahai in Iran, mogen hun geloof niet belijden en vbluchten weg. Ook etniciteit, ras en seksuele geaardheid kunnen allemaal redenen zijn om op de vlucht te slaan. De UNHCR – de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties – schat dat er in de hele wereld 19,8 vluchtelingen zijn. Dat betekent dat ongeveer één op de driehonderd mensen op drift is.
Het grootste deel van de vluchtelingen vindt opvang in buurlanden in de eigen regio. Slechts een heel klein deel vraagt asiel aan in Europa.
Zes van hen, afkomstig uit landen waar de afgelopen twee jaar de meeste asielzoekers vandaan kwamen, vertellen waarom zij niet in hun land konden blijven.


SOMALIË
Mahmoud Farah (28) vluchtte elf jaar geleden uit Somalië naar Nederland.
Hij is inmiddels getrouwd en heeft drie kinderen, maar toen hij net in Nederland aankwam, zag zijn leven er nog heel anders uit. Als enige van zijn familie wist hij te ontkomen aan de oorlog in zijn vaderland. Vijftien jaar was hij, toen hij op de vlucht ging voor het geweld. “Ik woonde in het noorden van het land”, vertelt Mahmoud. “In het deel dat Somaliland wordt genoemd. Daar waren gewapende groepen actief die tegen de Somalische regering vochten. De strijd kwam steeds dichterbij. De wijk waar ik met mijn familie woonde, lag op een gegeven moment precies tussen de strijdende partijen in. Ik weet nog goed dat er een keer een hele nacht geschoten werd. De volgende dag mochten we van het regeringsleger niet naar buiten, maar we deden het toch. We wilden zien wat er was gebeurd, hoe het met onze buren ging en hoe onze wijk erbij lag. En we hadden eten nodig. Het was gevaarlijk om naar buiten te gaan, een neef van me is in die dagen vermoord. Toen ik op straat liep zag ik ook overal dode mensen.”
Mahmouds familie had geen andere keus dan hun verwoestte huis achter te laten. Ze lieten belangrijke persoonlijke spullen achter in het plafond van hun huis en vertrokken naar een plek een paar kilometer verderop, waar ze met andere vluchtelingen in de open lucht probeerden te overleven. Maar veilig was het niet. Mahmoud: “We konden daar niet blijven, en terug naar huis kon ook niet want de gevechten gingen door en huis huis raakte helemaal vernield. De spullen uit het plafond hebben we ook niet meer kunnen ophalen.” Het gezin vertrok met een grote groep mannen, vrouwen en kinderen, te voet richting buurland Ethiopië. In het begin waren ze met zo’n honderd mensen, maar door de onzekere situatie in het gebied viel de groep steeds verder uit elkaar. “Op een nacht werden twaalf mensen vermoord door het regeringsleger”, herinnert Mahmoud zich, “en in de paniek daar omheen raakte ik mijn ouders kwijt. Ik heb nog naar ze gezocht maar ik kon ze niet meer vinden. Ik stond voor de keus: alleen achterblijven om mijn ouders te blijven zoeken, of verder gaan met een kleinere groep van ongeveer vijftien mensen.”
Mahmoud koos huilend voor de laatste optie. Maar ook de groep van vijftien raakte hij kwijt. Het regeringsleger maakte het gebied onveilig en ze moesten voortdurend rennen voor hun leven. “Ik weet nog dat ik uren alleen heb zitten schuilen onder een boom”, vertelt Mahmoud. “Toen het weer rustig werd en ik tevoorschijn kwam, waren de anderen van mijn groep nergens te bekennen. Na een paar uur lopen ontmoette ik een gewonde man en samen met hem ben ik naar Ethiopië gelopen.”
Eenmaal in Ethiopië kreeg hij hulp van landgenoten die daar al langer woonden. Er werd een vals paspoort voor hem geregeld van het buurland Djibouti, vanwaar hij naar Frankrijk kon vliegen. “Er werd me aangeraden van daaruit door te reizen naar Nederland”, zegt Mahmoud. “En dat deed ik dus. Vanaf Parijs heb ik de trein gepakt naar Rotterdam.” Zeventien was Mahmoud toen hij ’s ochtends vroeg de trein uitstapte. Het duurde niet lang tot hij een verblijfsvergunning kreeg.


IRAK
Maryam Aziz (43) komt uit Irak. Samen met haar man en drie kinderen ontvluchtte ze in 1997 haar land.
Halverwege de jaren tachtig was het, en Maryam vond het hoog tijd voor politieke veranderingen in haar land. Als lid van de communistische partij probeerde ze een vreedzame, democratische samenleving dichterbij te brengen. Ze werkte mee aan een onafhankelijke krant en deelde brochures uit op straat. Het kwam haar keer op keer op gevangenisstraf te staan en in de jaren tachtig kregen zij en haar man zelfs de doodstraf opgelegd. “Maar dat alles heeft me er nooit van weerhouden politiek actief te zijn”, zegt ze nu. “De tegenstand gaf me juist kracht.”
Dat Maryam en haar man nog leven en de doodstraf nooit werd uitgevoerd, is te danken aan het geld dat hun families bijeen wisten te brengen. Daarmee kon de straf worden afgekocht. Maar rust hebben ze eigenlijk nooit gehad: tussen 1986 en 1995 werden ze allebei verschillende keren opgepakt. Ook Maryams zus en zwager, ook politiek actief, werden niet met rust gelaten. Maryam: “Als we niet in de gevangenis zaten, kwam de politie vaak langs om ons te ondervragen en ons huis te doorzoeken. Als we ze aan zagen komen, hingen we altijd snel een portret van Saddam Hoessein op, want als je dat niet hebt, kun je ook problemen krijgen. En familieleden die niets te maken hadden met politiek, waren ook niet veilig. Zo gaat dat in Irak: ze proberen je onder druk te zetten door je hele familie erbij te betrekken.”
Zelfs tijdens haar zwangerschap was Maryam niet veilig: ze kreeg één van haar kinderen in gevangenschap. Maryam: “Natuurlijk, we hadden kunnen stoppen met onze politieke activiteiten, maar dat wilden we niet. We wilden blijven proberen echt iets te veranderen in ons land.”
Jarenlang hielden ze het vol, terwijl ze eigenlijk hun land wilden ontvluchten. Maryam: “Zolang we niet weg konden, wilden we ons inzetten voor ons land. We durfden geen paspoorten aan te vragen, want hoe zouden we kunnen uitleggen waar we een paspoort voor nodig zouden hebben?” Toen de grond echt te heet werd onder hun voeten, pakten ze wat spullen en vertrokken ze per auto naar het noorden van het land. Maryam: “Door onze politieke activiteiten werd het ons ook op andere vlakken steeds moeilijker gemaakt. Mijn man heeft jaren gevochten in de oorlog met Iran en daarna wilde hij aan het werk, maar niemand wilde hem een baan geven. Toen is hij samen met zijn broer een juwelierszaak begonnen, maar ook dat werd tegengewerkt. We konden onszelf nauwelijks nog onderhouden.”
Om in noord-Irak niet te veel op te vallen, trokken ze traditionele Koerdische kleding aan. Vrienden hielpen ze van het noorden van Irak naar Turkije te komen, en van daaruit ging de tocht per vrachtwagen verder naar Nederland. Ook familieleden van Maryam verlieten in die tijd het land. Haar zus woont nu in Zweden, net als haar ouders. De familie van haar man is nog in Irak. “We kunnen ze soms wel bellen”, zegt Maryam, “maar praten met elkaar kan niet omdat er altijd een kans is dat je wordt afgeluisterd. We kunnen niet goed inschatten hoe het met ze gaat. We zijn er niet gerust op.”


AFGHANISTAN
Mevrouw Hashini (53) vluchtte zestien jaar geleden van Afghanistan naar Nederland.
Mevrouw Hashini werd zonder pardon ontslagen toen de communisten, in 1978, de macht overnamen in Afghanistan. Ze was tegen het communistische regime en kon, vonden de nieuwe machthebbers, om die reden geen directeur blijven van een grote hogeschool in de westelijke stad Herat. “Ik kreeg een brief waarin me werd verteld dat ik voortaan lerares op een basisschool zou zijn.” Maar ook dat duurde niet lang. “De directeur van die school, een communist, was bang dat ik leerlingen tegen de communisten zou opzetten. Dat deed ik helemaal niet want ik had het in de klas nooit over politiek, maar dat ik tegen de Russische overheersing van mijn land was, was genoeg om me voor de klas weg te halen. Ik kreeg een kantoorbaan. En zelfs daarin werd ik scherp in de gaten gehouden. Ik kon op mijn werk niemand meer vertrouwen.”
Maar dat was nog het ergste niet. Het ergste was de oorlog tussen het Russische leger, dat Afghanistan in 1979 binnenviel, en het Afghaanse verzet. “Herat werd dagelijks met raketten bestookt”, herinnert mevrouw Hashini zich. “Er vielen steeds meer doden. We waren eigenlijk nergens meer veilig. Ook mijn vier maanden oude baby is omgekomen door het oorlogsgeweld.”
De gedachte het land te ontvluchten, was al vaak opgekomen bij mevrouw Hashini en haar man. Een familielid was hun voorgegaan en had Nederland bereikt. Ze hoorden van hem dat Nederland een veilig, rustig land was, waar kinderen een goede toekomst hadden. Na ‘zwarte vrijdag’, een dag waarop de aanvallen op Herat zo ernstig waren dat er honderden slachtoffers vielen, pakten ze hun spullen. Mevrouw Hashini. “We konden niets meenemen, alleen wat kleren. Deels lopend, deels per paard bereikten we de grens met Iran, van daaruit zijn we naar India gegaan. Vanuit India kwamen we in Nederland terecht.” Al met al duurde de vlucht zes weken.
Mevrouw Hashini had niet gedacht dat ze nu nog steeds in Nederland zou zijn. “Ik was ervan overtuigd dat de Russen zouden worden verdreven uit Afghanistan en dat we daarna terugkonden.” Maar het vertrek van de Russen bracht geen vrede. Al snel diende de volgende strijd zich aan: verschillende groeperingen binnen de Mujaheddin stonden elkaar naar het leven, en daarna kwam de Taliban. Mevrouw Hashini trekt zich vooral het lot van de vrouwen aan. “In de communistische tijd mochten ze wel werken en hun eigen leven leiden, maar was er ook veel seksueel geweld. Onder de Taliban was er minder seksueel geweld, maar moesten vrouwen leven onder een doek, zonder rechten. En ook nu nog zijn de vrouwen niet vrij. Vroeger hadden vrouwen een normaal leven, net als ik hadden ze vrijheid en een baan. Daar is niets van over.”
Nog steeds droomt mevrouw Hashini ervan ooit terug te gaan naar haar vaderland. “Ik zocht een rustplaats voor mij en mijn man en kinderen en dat heb ik gevonden in Nederland, maar mijn eigen land blijft het paradijs. Als het echt veilig is, wil ik wel terug om iets voor Afghanistan te doen. Vooral voor de vrouwen. Ik heb hier veel geleerd, mede door het vrijwilligerswerk voor Afghaanse vrouwen dat ik al jaren doe, en die ervaring zou ik daar willen inzetten. Er moet worden gevochten voor vrouwenrechten. Mijn generatie had de mogelijkheid niet, maar ik hoop dat de generatie na mij Afghanistan weer echt vrij kan maken.”


IRAN
Amir Mahmoodi (36) vluchtte tien jaar geleden uit Iran.
Amir weet nog goed hoe hij in Nederland aankwam. Hij werd in Leiden uit de auto gezet en zag bij toeval een Iraanse man en vrouw lopen. Hij sprak ze aan, vertelde dat hij nét, vijf minuten geleden, in Nederland was gedropt. “Ze namen me mee naar McDonalds”, vertelt Amir, “want ik had honger. Daarna brachten ze me naar het politiebureau. Daar kon ik zeggen dat ik asielzoeker was, zeiden ze, en dan zou ik vanzelf verder geholpen worden. Ik durfde eigenlijk niet naar de politie, maar ik had geen keus. De volgende dag kon ik naar een klein hotel dat was ingericht als asielzoekerscentrum. In Assen was dat.”
Amirs angst voor de politie was niet verwonderlijk: in Iran werd hij bij een grote demonstratie tegen de islamitische regering opgepakt en zat hij drie maanden en twee dagen gevangen. Met vijfentwintig mensen in een cel, elke dag verhoren en voortdurend de angst de gevangenis niet levend te verlaten. Hij werd vrijgelaten op voorwaarde dat hij nooit meer zou demonstreren. Amir: “Ze wisten mijn naam niet, maar hadden foto’s gemaakt en een dossier aangelegd. Er zou geen hoop meer voor me zijn als ik nog een keer wegens politieke activiteiten zou worden opgepakt.”
De dreigementen maakten Amir bang, maar zijn politieke activiteiten werden er niet minder om. “Ik werd juist gemotiveerder”, vertelt hij, “en ik ging ook een soort vakbondswerk doen. In het geheim bij fabrieken langs en met de arbeiders praten over wat wij wilden en waarom. Vrijheid, democratie, een parlement waar ruimte was voor ieders mening.” De partij was opgedeeld in allemaal kleine groepjes, waarvan alleen de contactpersonen elkaar kenden. Die manier van organiseren zorgde ervoor dat ze lange tijd ongrijpbaar bleven voor de staat. “Maar we groeiden en je weet niet altijd wie je wel en niet kunt vertrouwen”, zegt Amir. “Op een gegeven moment werd ons groepje gepakt. Het ging er gewelddadig aan toe: een vriend van me raakte gewond. Ik wilde bij hem blijven, maar moest het op een lopen zetten om mezelf te beschermen. Later hoorde ik dat hij het niet had overleefd.”
Amir dook onder op een zolder ergens in een dorp dichtbij Teheran. Zij naam was nu bekend en hij was zijn leven niet meer zeker. Van zijn studie economie kwam niets meer terecht en ook de baan waarmee hij zijn studie financierde, hield op. Al snel maakte hij kennis met een nieuwe methode van de politie: Amirs broer werd opgepakt, twee weken vastgehouden en weer vrijgelaten op voorwaarde dat Amir zich bij de politie zou melden. “Als ik dat niet zou doen, zou mijn broer weer worden opgepakt. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik wilde mezelf aangeven om mijn broer te beschermen, maar ik was bang dat ik het niet zou overleven. Ik overlegde met mijn broer. We besloten dat ook hij zou onderduiken. Maar dat hielp niet, want daarna werd ook onze familie lastig gevallen. Vooral voor onze ouders vonden we dat heel erg, want zij hadden niets te maken met onze politieke activiteiten. Er zat maar één ding op: Iran verlaten.”
Amir vertrok. Te voet en te paard naar de Turkse grens, van daaruit met de auto naar Istanbul, waar hij een vals paspoort kreeg en met de auto naar Nederland werd gebracht. Een jaar later kwam ook zijn broer naar Nederland.


SIERRA LEONE
Shanghi (25) en Kundabu (23) Sandy kwamen vier jaar geleden uit Sierra Leone naar Nederland.
Kundabu doet voor hoe ze met haar toen twee jaar jonge zoontje verlamd van angst wachtte tot de rebellen de deur van haar huis zouden forceren. De groep mannen stond buiten en rammelden aan de deur. Ze zou het niet overleven, en haar zoontje zouden ze waarschijnlijk meenemen om hem tot kindsoldaat te maken. “Ik hield mijn voorhoofd tegen dat van mijn zoontje. Zo zouden we samen gaan, dacht ik, en hoefde ik hem niet af te staan aan de rebellen. Maar de mannen buiten werden denk ik ergens door afgeleid, want ineens waren ze weg.”
Kundabu en Shanghi zijn nog jong, maar hebben al een heel leven achter zich. Vijf machtswisselingen in vijf jaar, buitensporig geweld tegen burgers. Een paar jaar geleden zaten ze er nog middenin. Shanghi: “Ik werkte als journalist voor een onafhankelijk radiostation. Toen de gekozen regering door de rebellen werd verdreven naar Guinee, werd iedereen opgeroepen om als protest tegen de rebellen het werk neer te leggen. Veel overheidsdiensten deden dat, maar het radiostation waar ik werkte, ging door. We wilden het land van informatie blijven voorzien en ik moest geld verdienen om van te leven.” Het kwam hem duur te staan: toen de rebellen waren verslagen en de regering in ballingschap terugkeerde, werd hij als collaborateur gezien omdat hij het werk niet had neergelegd. Shanghi: “Een collega van me werd om die reden vermoord. Ze gooiden een brandende autoband om zijn nek. Ik vluchtte naar de compund van de West-Afrikaanse vredesmacht Ecomog, maar die waren niet veel beter: ik werd opgesloten in de gevangenis.”
Zijn borst en buik doen nog altijd pijn van de martelingen die hij in de cel te verduren kreeg. “Een jaar later werd ik vrijgelaten door de rebellen, die de hoofdstad inmiddels weer overgenomen hadden. Maar ook toen was ik niet veilig. Niemand was veilig, iedereen was verdacht.” Shanghi en Kundabu vertellen over de onmogelijke situatie waar de bevolking in terecht kwam: burgers moesten de straat op om de terugkeer van de rebellen te ‘vieren’, en wie de straat niet opdurfde, was verdacht. Een roddel over regeringsgezindheid kon voldoende zijn om in het openbaar gegeseld te worden, hele families van vermeende tegenstanders werden uit huizen gesleurd en vermoord. Wie protesteerde, stond hetzelfde lot te wachten.
Shanghi wist de stad te ontvluchten. Hij nam de boot naar buurland Guinee en verstopte zich daar op een groot schip. Hoe lang de reis duurde, weet hij niet, maar hij ging aan wal in Rotterdam. Ook Kundabu wist zichzelf en haar twee kinderen in veiligheid te brengen. Ze moest wel, niet alleen omdat iedereen onveilig was maar ook omdat zij zich, voor de rebellen terugkwamen, een aantal keren op televisie en op de radio had uitgesproken voor berechting van de rebellen. “De regering en de vredesmacht hadden ons verzekerd dat de rebellen voorgoed verslagen waren, daarom durfde ik me, als lid van een jongerenorganisatie, uit te spreken. Maar de rebellen kwamen terug. Mijn gezicht was bekend, ik moest weg.”
Hoe ze precies in Nederland terecht kwam, weet ze niet meer, maar met hulp van het Rode Kruis kwam ze er achter dat Shanghi ook in Nederland was. Sinds kort hebben ze een verblijfsvergunning, voor drie jaar. Kundabu: “We snappen het niet, maar we kunnen de overheid hier er niet van overtuigen dat we nooit meer terug kunnen naar ons land. Maar voorlopig zijn we veilig. We zijn dankbaar dat we hier mogen zijn.”


ANGOLA
Kapita Bazunguila (51) komt uit Cabinda, een land dat ooit door Portugal werd geregeerd en sinds 1975, toen Portugal uit Cabinda en Angola vertrok, een enclave is van Angola.
“Zeg niet tegen me dat ik uit Angola kom. Ik kom uit Cabinda, ik ben een Cabindees, en mijn land wordt door Angola bezet. Net zoals Nederland ooit door Duitsland, Oost-Timor ooit door Indonesië. Ik hoop dat ook Cabinda op een dag onafhankelijk zal zijn, maar er is weinig aandacht voor onze strijd.”
Kapita Bazumguila kan vol vuur vertellen over zijn land en over de strijd tegen Angola. Hij moest in 1989 zijn land achterlaten, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Hij werd gezocht door de Angolese politie. “Ik ben met het vliegtuig gekomen, vanuit Luanda, de hoofdstad van Angola. Ik heb veel geld moeten betalen om bij verschillende controles met rust gelaten te worden.”
Het was niet de eerste keer dat Kapita zijn land moest verlaten. Als vierjarig jongetje al liet hij Cabinda achter zich, met zijn ouders, broers en zussen. Naar het noorden gingen ze toen, naar wat nu Congo Brazzaville heet. “We moesten vluchten vanwege de onderdrukking door de Portugezen”, vertelt Kapita. Zijn hele jeugd bracht hij door als vluchteling. “Ik wilde vechten tegen de Portugezen toen ik een jaar of dertien was”, herinnert hij zich. “In het vluchtelingenkamp waar ik woonde, kon je je aanmelden voor de strijd. Ik voelde me groot en sterk toen ik met andere potentiële strijders in de rij stond. De mannen die ons keurden, deden eerst alsof ze me inderdaad goed konden gebruiken, maar toen gaven ze me een flinke duw en viel ik op de grond. Het was hun manier om me te laten zien dat ik nog veel te klein was om mee te doen. Dat vond ik heel erg, want ik wilde iets betekenen voor mijn land.”
Hij maakte het later ruimschoots goed. Toen de Portugezen vertrokken en Angola Cabinda overnam, sloot hij zich aan bij de FLEC, een van de separatistische groeperingen. “Bepaalde gebieden van Cabinda zijn in handen van de FLEC”, zegt Bazunguila. “Reizen tussen FLEC-gebieden en de ‘Angoleze’ delen is moeilijk. Er zijn controleposten, waar voedsel van mensen wordt afgepakt, vrouwen soms worden verkracht en mensen worden mishandeld. Ik probeerde allerlei spullen de door de FLEC gecontroleerde gebieden in te krijgen. Voedsel, boeken, schrijfmateriaal, van alles. Niet via de controleposten natuurlijk, maar meestal via omwegen door het bos.” Hij was ook betrokken bij de organisatie van die transporten en daarnaast probeerde hij zoveel mogelijk informatie te verzamelen die van pas zou kunnen komen in de strijd.
Zijn activiteiten bleven een tijd lang onopgemerkt. Dacht hij. Tot de Angolese politie tot twee keer toe bij hem thuis kwam terwijl hij er zelf niet was, en de boodschap achter liet dat hij zich moest melden op het politiebureau. “Als ik dat had gedaan, had ik waarschijnlijk nu nog in de gevangenis gezeten”, zegt Bazunguila, “of had ik al niet meer geleefd.” Hij dook onder, regelde reispapieren via allerlei contacten, onder andere met een Nederlander die in de Cabindeze olieindustrie werkte, en vertrok met zijn gezin naar Luanda om het vliegtuig naar België te nemen. Vanuit België reisde hij door naar Nederland. “Het heeft ruim drie jaar geduurd voor ik een status kreeg”, zegt Bazunguila. “Sindsdien probeer ik mijn bijdrage aan een onafhankelijk Cabinda vanuit Nederland te leveren.”

Verschillende namen zijn om privacyredenen gefingeerd.

April 2003




Fréderike Geerdink - Journalist